Dr. Gijs Rommelse:

DE TOCHT NAAR CHATHAM EN DE BRITSE KUSTVERDEDIGING

Startpagina Mars et Historia

Dr. Gijs Rommelse is wetenschappelijk medewerker bij Nederlands Instituut voor Militaire Historie. Hij promoveerde vorig jaar op een dissertatie met de titel The Second Anglo-Dutch War (1665-1667). International raison d'état, mercantilism and maritime strife (Hilversum 2006). Hij publiceerde daarnaast een aantal artikelen over zeventiende eeuwse politieke, economische en maritieme geschiedenis.

DE TOCHT NAAR CHATHAM EN DE BRITSE KUSTVERDEDIGING

Inleiding
In de periode 1652-1674 hebben Engeland en de Republiek der Verenigde Nederlanden drie bloedige oorlogen uitgevochten. Tijdens deze confrontaties vonden enkele dramatische zeeslagen plaats. Daarnaast hebben zich tal van andere gevechtshandelingen voorgedaan. De Tocht naar Chatham, of de Raid on the Medway zoals men in Engeland zegt, is zonder twijfel één van de meest bekende gebeurtenissen uit de Nederlandse geschiedenis. Er zijn in de loop der jaren veel gedenkboeken en artikelen over verschenen. Nu, in 2007, het jaar waarin Michiel de Ruyters vierhonderdste verjaardag herdacht wordt, is er meer aandacht dan ooit voor de gebeurtenissen van 1667. Toch valt niet te ontkennen dat veelal één belangrijk aspect van de beruchte aanval onderbelicht blijft, namelijk de Engelse (kust)verdediging. In veel studies en publicaties over de Tocht naar Chatham wordt deze vaak als een ondergeschoven kindje behandeld in tegenstelling tot aspecten als de organisatie van de Nederlandse vloot, de door Johan de Witt uitgedokterde strategie, de paniek aan Engelse kant en het catastrofale resultaat voor de Engelse vloot.
Dit artikel beoogt iets aan die achterstand te doen, door die Engelse verdediging, of misschien toepasselijker het gebrek aan verdediging, wat uitgebreider voor het voetlicht te halen en te analyseren. Bovendien komen nog wat minder bekende aspecten van de Nederlandse oorlogvoering aan de orde en geef ik een korte schets van de ontwikkelingen die de Britse kustverdediging kenmerkten aan de vooravond van de Tocht naar Chatham maar vooral na het Britse echec.


Voorgeschiedenis
In 1660 werd Karel II vanuit zijn ballingschap teruggeroepen om tot koning van Engeland, Schotland, Wales en Ierland gekroond te worden. Na het overlijden van (de gehate en gevreesde) Oliver Cromwell in 1658 was in Engeland een periode aangebroken van grote politieke en sociale onrust. Voor de Republiek leek de Restauratie van Karel II gunstig. De regenten rondom raadspensionaris Johan de Witt dachten met de nieuwe koning beter zaken te kunnen doen. Vrijwel direct na diens oversteek naar Londen stuurden de Staten-Generaal een diplomatieke missie naar Londen om de mogelijkheid van een defensieve alliantie te bespreken. Dit gezantschap liet echter al gauw vanuit de Engelse hoofdstad weten dat de onderhandelingen met de Engelsen zeer moeizaam verliepen. In 1660 had het Parlement Karel II namelijk gevraagd de Akte van Navigatie opnieuw in te dienen. Deze wet, die voor het eerst in 1651 was aangenomen en mede had geleid tot het uitbreken van de Eerste Nederlands-Engelse Oorlog (1652-1654), had als doel de Nederlandse dominantie in de internationale handel en scheepvaart te doorbreken. De Engelse koning steunde de economische belangen van organisaties als de East India Company, de Levant Company, de Royal Adventurers trading into Africa en de Merchant Adventurers. Met het nieuwe regime hoopten deze koopliedengezelschappen een vuist te kunnen maken tegen de Nederlandse concurrentie. Aangezien de koning en enkele van zijn jongere ministers financiële onafhankelijkheid dachten te kunnen bereiken, zagen zij in de uitbreiding van de scheepvaart en commercie het aangewezen middel.


De tocht naar Chatham. Bron: Collectie NIMH

In 1662 werd uiteindelijk een onbetekenend vriendschapsverdrag tussen de Republiek en Engeland gesloten dat evenwel alle heikele kwesties onbesproken liet. In de daaropvolgende jaren vonden steeds vaker confrontaties plaats tussen Engelse en Nederlandse schepen en compagnieën. In 1663 stuurde Jacobus, de hertog van York en broer van de koning, Robert Holmes op pad met een eskader om de Engelse belangen in Afrika te 'verdedigen'. Holmes kweet zich uitstekend van zijn taak en veroverde verscheidene Nederlandse forten op de West-Afrikaanse kust. De Nederlandse vice-admiraal Michiel de Ruyter wist de schade echter ongedaan te maken. Een jaar later, in 1664, nam een klein eskader onder leiding van Richard Nicolls Nieuw-Amsterdam in en doopte het om tot New York. Eind 1664 leek oorlog onvermijdelijk. De onverhoedse Engelse aanval op het Smyrna-konvooi bij Cadiz was de druppel die de emmer deed overlopen. In januari 1665 verklaarden de Staten-Generaal de Engelsen de oorlog.


De Britse kustverdediging vóór de Tocht naar Chatham
De oudste Britse kustverdedigingswerken dateerden uit de tijd van koning Hendrik VIII (1491-1547). Hij had geprobeerd zijn macht te versterken en meer inkomsten te genereren door de handel zwaarder te belasten. Om dit te realiseren moest hij zijn grip op het scheepsverkeer versterken. Door forten te bouwen in havensteden kon effectiever belasting geheven worden. Na de zestiende eeuw waren er echter geen forten meer in Engeland gebouwd of vernieuwd.
Voordat Karel aan de macht kwam, had hij meer dan een decennium op het vasteland van Europa doorgebracht en uitgebreid de militair-architectonische ontwikkelingen in Frankrijk kunnen gadeslaan. Zijn waarnemingen hadden hem gesterkt in zijn plannen om de kustverdediging binnen zijn koninkrijk te moderniseren. Het doel hiervan was viervoudig. Allereerst konden de forten als steunpunt dienen voor de vestiging van de koninklijke macht in het land. Daarnaast konden met behulp van forten de handel en scheepvaart gereguleerd en belast worden. Voorts wilde hij zijn grondgebied beschermen tegen de hoofdzakelijk van Nederland uitgaande maritieme dreiging. Het vierde motief was ten slotte dat de koning met de bouw van forten aanspraak kon maken op territoriale wateren. Dit hield verband met de in de zeventiende eeuw gangbare opvatting dat kustwatergebied dat door op het land geplaatste kanonnen kon worden bestreken, staatsrechtelijk tot dat land behoorde. 
In 1661 liet Karel een lijst opstellen van alle kastelen, forten en versterkingen in Engeland. Sir Edward Nicholas, een van de ministers, schreef alle eigenaren aan om hun trouw aan de vorst te eisen. Zij moesten bij de Lord Lieutenant van hun county een eed zweren dat zij hun fort of kasteel niet aan vijanden van de koning zouden geven. Karel II had duidelijk zijn les geleerd van de Engelse Burgeroorlogen, toen zijn vader de controle over de versterkingen had verloren. Om plaatselijke opstanden in de kiem te smoren, smokkel aan banden te leggen en buitenlandse invasies te voorkomen, zond Karel troepen naar de kustforten van Dartmouth en Scarborough Castle. Deze maatregel sloot bovendien uitstekend aan bij zijn voornemen om meer greep te krijgen op de militaire middelen van zijn koninkrijken en zijn politieke macht te vergroten. Het legeren van garnizoenen in heel Engeland kostte de schatkist naar schatting £ 76.056 per jaar.


Ontwerp van De Gomme van de fortificaties bij Cockham Wood (1669)
Bron:
www.fortified-places.com

Nadat het leger van Cromwell in 1658 Duinkerken op de Spanjaarden had veroverd, behoorde deze vestingstad weliswaar tot Brits grondgebied, maar de fortificaties lieten te sterk te wensen over. Om die reden belastte Karel zijn belangrijkste fortenbouwer, de Nederlander Sir Bernard de Gomme (1620-1685) direct met de versterking van de forticatie. De Gomme had ten tijde van stadhouder Frederik Hendrik in het Staatse leger gediend en daar kennis gemaakt met Engelse officieren. Tijdens de Engelse Burgeroorlogen had hij de Royalisten gediend en was door koning Karel I tot ridder geslagen. In 1646 was hij benoemd tot Royal Chief Engineer. In 1660 keerde hij met veel andere Royalisten naar Engeland terug en werd belast met de versterking van Duinkerken. Ook moest de pier van Dover gerepareerd worden. Hierop stonden kanonnen die de haven moesten beschermen tegen vijandelijke schepen. Het volgende jaar werd De Gomme benoemd tot Engineer in charge of all the king's castles and fortifications.
Door Karels huwelijk met de Portugese prinses Catharina de Braganza in 1662 vielen hem de steden Bombay en Tanger als deel van haar bruidschat in de schoot. Aangezien de Britten hoopten vanuit het strategisch gelegen Tanger de Straat van Gibraltar te kunnen controleren, kreeg De Gomme opdracht de fortificaties te verbeteren. Bovendien zond Karel een garnizoen om de stad (beter) tegen eventuele aanvallen van plaatselijke vorsten te kunnen verdedigen. Om ten slotte de haven beter te kunnen beschermen tegen vijandelijke Nederlandse schepen, bouwden de Engelsen een pier. Hoewel de kosten aanzienlijk waren, hoopten zij dat de stad zich tot een handelscentrum zou ontwikkelen en dat investering zichzelf zou terugbetalen.
Vanaf 1664 waren de Engels-Nederlandse relaties zo slecht dat oorlog ieder moment kon uitbreken. Karel realiseerde zich in feite te laat dat de Engelse kustverdediging er nog niet op berekend was om Nederlandse (maritieme) operaties te weerstaan. Hij had zich voornamelijk geconcentreerd op het belang van fortificaties en garnizoenen voor de binnenlandse politiek en te weinig oog gehad voor het Nederlandse militaire potentieel. Evenmin realiseerden Karel en zijn ministers zich (ten volle), dat de Theems en de zijrivier de Medway kwetsbaar waren voor Nederlandse aanvallen. 
Pas in 1665 toen de oorlog al in volle gang was, werd de versterking van de zo belangrijke havensteden Portsmouth en Plymouth aan de zuid- en de oostkust ter hand genomen. In Plymouth werd een vijfhoekig fort, de Royal Citadel, op de plaats van het oudere fort gebouwd, om de toegang tot de haven te bewaken. De werkzaamheden namen echter tien jaar in beslag en de Engelsen mochten zich gelukkig prijzen dat hier geen invasie plaatsvond tijdens de Tweede en de Derde Nederlands-Engelse Oorlog. In Portsmouth daarentegen werden de fortificaties alleen gemoderniseerd. In april 1667 ten slotte kreeg De Gomme opdracht Harwich met een reeks forten te versterken.
Karels interesse voor Schotland was beperkt. Hij hield zich dan ook niet bezig met de verdediging van de Schotse kust. Toch besloot Karel in 1665 op de Shetland Eilanden een fort te bouwen. De mogelijkheid om vanuit deze versterking een Nederlandse retourvloot van de Verenigde Oostindische Compagnie te onderscheppen sprak hem erg aan. De Engelse gezant Sir George Downing had terecht opgemerkt dat de VOC waarschijnlijk de terugkerende schepen zou adviseren de route ten noorden van Schotland te kiezen. Omdat Het Kanaal wemelde het namelijk van de kapers en de Engelse marineschepen. Voor de som van £ 28.000 liet Karel door Robert Mylne, Master Mason to the crown of Scotland, een fort bouwen bij Lerwick dat ruimte bood aan een garnizoen van honderd soldaten. In 1667 was het fort echter nog niet klaar. Ook bleek de aanvoer van drinkwater problematisch. Er werd daarom besloten het fort te ontruimen.
Aan de vooravond van de Tocht naar Chatham verkeerde de Britse kustverdediging dus in gebrekkige staat. Er was weliswaar geïnvesteerd in nieuwe fortificaties aan de zuid- en oostkust en in Tanger en Duinkerken, maar de Theemsmonding was nog kwetsbaar voor vijandelijke operaties. Overtuigd als de Engelsen waren dat een aanval tegen het maritieme hart van Engeland hooguit tot de wereld van de fantasie behoorde, hadden zij hier veel minder geld en energie in gestoken. Zonder enige weet van de Nederlandse plannen, hadden Karel en de zijnen zich echter faliekant misrekend en zouden nog van de koude kermis thuiskomen.

Nederlandse operaties in 1667
In 1667 voerde de Nederlandse vloot operaties uit op de Britse kust en in de monding van de Theems en de Medway. Dit was het antwoord van Johan de Witt op de vernietigende aanval die de Engelse admiraal Sir Robert Holmes had ondernomen op honderdvijftig voor anker liggende koopvaardijschepen in het Vlie. Met behulp van branders had hij de dichtopeengepakte vloot verwoest. Vervolgens plunderde hij met zijn soldaten Terschelling. Op de terugweg bracht Holmes nog vijf visserschepen uit Petten tot zinken, waarbij negenentwintig vissers verdronken.


De aanval van Robert Holmes op terschelling in 1666.
Bron: Museum Behouden Huys (Terschelling)


Gedwongen door financiële tekorten had Karel zijn broer Jacobus, die Lord High Admiral was, bevolen het grootste deel van de vloot op te leggen. Behalve dat de recente oorlog de Engelse handel had lamgelegd, vergrootte ook een pestepidemie nog de economische malaise. In 1666 legde (bovendien) een enorme brand in Londen zo'n tienduizend gebouwen in de as, waaronder veel pakhuizen en een deel van het commerciële centrum. De overheid kon de zeelieden alleen nog betalen met tickets (geschreven schuldverklaringen) in plaats van geld. De matrozen probeerden deze te verkopen bij woekeraars tegen een fractie van de nominale waarde. De staat kon ook al geen krediet meer krijgen bij handelaren. Slechts een beperkt aantal kleinere vaartuigen moest daarom proberen de Nederlandse handel en scheepvaart te ontregelen. De zwaardere schepen werden in de haven van Portsmouth en vooral op de rivier de Medway opgelegd.
In mei 1667, aan de vooravond van het oorlogsseizoen, vond De Witt het om politieke redenen noodzakelijk om operaties tegen Engeland en Schotland uit te voeren. Hij wilde een einde aan de oorlog maken en een gunstige vrede af te dwingen. De Engelse onderhandelaars in Breda probeerden de besprekingen te traineren. Frankrijk dreigde namelijk de Spaanse Nederlanden binnen te vallen. Dit zou de raadspensionaris in een zeer lastig parket brengen, omdat hij tegelijkertijd de buffer in het zuiden wilde behouden én de oorlog tegen Engeland tot een goed einde moest brengen. Het feit dat Frankrijk een bondgenoot van de Republiek was, maakte de zaak nog gecompliceerder. De Engelsen hoopten nu dat er gunstige vredesvoorwaarden konden worden bereikt door met de Fransen samen te werken. In ruil werd Lodewijk XIV een carte blanche aangeboden in de Spaanse Nederlanden. 
Al in april 1667 was luitenant-admiraal Willem Joseph van Ghent met vierentwintig oorlogsschepen, vier branders en enige galjoten naar het noorden gevaren om honderdvijftig koopvaarders te escorteren en op de terugweg een groot aantal Schotse en Engelse kapers van de zee te verjagen. Hij achtervolgde de kapers tot in de Firth of Forth, waarbij hij de kustforten van Edinburgh en Leith bombardeerde. Ook werd de haven van Burntisland beschoten. Een branderaanval op de kaperschepen, die de haven waren ingevlucht, mislukte door de vele verraderlijke klippen en zandbanken. De kapiteins weigerden een aanval te doen omdat de kustbatterij hevig terugvuurde. Dit kwam hun later op een veroordeling in de krijgsraad te staan. Uiteindelijk wist Van Ghent slechts zes kleine scheepjes en één kaperschip te veroveren. Wel veroorzaakte de aanval paniek in de regio rond de Schotse hoofdstad Edinburgh, waarop in allerijl de milities bijeengeroepen werden om een mogelijke invasie af te weren.
Eind mei 1667 besloten de Staten-Generaal dat de politieke situatie en de afwezigheid van vijandelijke schepen een gunstig tij vormden om nieuwe operaties te ondernemen. Johan de Witt was de drijvende kracht achter dit besluit. Al in de Eerste Nederlands-Engelse Oorlog (1652-1654) had hij het mogelijk geacht een aanval op het bestuurlijke, maritieme en economische hart van Engeland te doen. Nu was volgens hem de ideale gelegenheid gekomen. In juni voer de vloot onder bevel van Michiel de Ruyter naar de monding van de Theems. Cornelis de Witt was aanwezig als vertegenwoordiger van de Staten-Generaal. Hij had van zijn broer de strikte opdracht gekregen de aanval sowieso te laten uitvoeren en weifelende marineofficieren te overreden. De Ruyter was ziek en bleef met het grootste deel van de vloot in de monding van de rivier liggen om de eventuele aftocht veilig te stellen. Met zeventien lichte schepen, vijf jachten, vier branders en meer dan duizend mariniers voer een sterk eskader de Medway op. Binnen enkele dagen werd de Engelsen een verpletterende nederlaag toe gebracht. Op 20 juni namen mariniers het fort bij Sheerness in. Op de 22e passeerde de scheepsmacht de ketting die bij kasteel Upnor over de rivier was gespannen.9 Vervolgens werden de Unity en de Royal Charles, het vlaggenschip van de Engelse vloot dat Karel in 1660 terug naar Engeland had gebracht, veroverd. De Sancta Maria, Carolus Quintus en de Matthias werden in brand gestoken. De splinternieuwe Loyal London, de Royal Oak en de Royal James werden met behulp van branders verwoest.


De verovering van de Royal Charles tijdens de Tocht naar Chatham.
Bron: Zeeuws Maritiem muZEEum


De materiële schade van de Raid on the Medway was enorm. De politieke en militaire schade was zo mogelijk nog groter. De verdediging van de Theemsmonding was kinderlijk eenvoudig gepasseerd en de kern van de Engelse vloot was zonder slag of stoot verwoest. Al gauw begonnen de diverse betrokkenen elkaar de schuld te geven. Er hadden schepen in de vaargeulen tot zinken moeten worden gebracht, maar dit was niet of ondeskundig gedaan. De milities waren te laat gealarmeerd. De kustbatterijen beschikten over veel te weinig kanonnen en munitie. De soldaten die geacht werden de stukken te bemannen, waren gevlucht of weigerden te vechten zonder eerst betaald te worden. In Londen en andere steden was paniek uitgebroken. In het kuststadje Deal hadden de rijken hun bezittingen naar Canterbury of Sandwich gebracht. In Londen was een run op de goudsmeden ontstaan toen iedereen directe uitbetaling van zijn tegoed eiste. Ook circuleerden er geruchten over een Franse landing bij Plymouth. Sommige mensen meenden dat de gouverneur van Sheerness, Sir Edward Spragge, een katholieke verrader was. John Evelyn, de bekende dagboekschrijver, noteerde dat 'at Sheere-Nesse, where they were building an arsenal for the fleete, and designing a royal fort, (...); but here I beheld that sad spectacle, namely more than halfe of that gallant bulwark of the Kingdome miserably shatterd, hardly a vessell intire, but appearing rather so many wracks and hulls, so cruely had the Dutch mangled us.'11
De Nederlandse aanval was een doorslaggevend succes geweest. De acties van Robert Holmes van het jaar ervoor waren daarmee gewroken. Maar De Ruyter toonde zich volgens lokale overleveringen een grootmoediger tegenstander dan Holmes. Waar de Engelsman het dorp West-Terschelling in brand stak en weerloze vissersboten tot zinken bracht, toonde De Ruyter juist mededogen voor burgers. Toen enige Nederlandse matrozen, op zoek naar buit, de deur van de kerk van het dorpje Grain openbraken, hield De Ruyter hen tegen. Hij strafte de schuldigen en liet de deur door zijn eigen scheepstimmerman repareren. De deur is nog steeds in Grain te zien.


De kerkdeur van het dorpje Grain
Bron: Mr. John Harding
www.sheelenagig.org


De Nederlandse aanval trok de vredesbesprekingen weer vlot. Desalniettemin verlangde Johan de Witt dat de maritieme druk op de Engelsen gehandhaafd bleef. De Ruyter verdeelde de vloot in verschillende eskaders, die de kust moesten blokkeren. Op 12 juli werd een aanval gedaan op Landguard Fort bij Harwich. Dit fort was in uitstekende staat, goed bemand en stond onder bevel van kapitein Nathaniel Darrell. De schepen konden in verband met ondiepten niet dicht genoeg naderen om het bombardement effectief te laten zijn. Ook een bestorming door de mariniers en matrozen sorteerde geen effect en werd halverwege afgeblazen omdat er te veel slachtoffers dreigden te vallen. De sloepen met Nederlandse troepen waren uitermate kwetsbaar voor het kanons- en musketvuur vanaf de muren. Het Nederlandse smaldeel droop af op zoek naar een makkelijker te verschalken prooi. De Engelse overwinning wordt nog jaarlijks herdacht.
Voordat uiteindelijk op 31 juli te Breda de vrede werd getekend, vonden nog enkele kleinere Nederlandse aanvallen plaats. Zo was Van Ghent in juni naar de Shetlands gezeild om te zien of de eilanden veroverd konden worden of dat er misschien escorte kon worden verleend aan een schepen van de Verenigde Oostindische Compagnie (VOC) die op de thuisreis waren. Hij verkende (toen) de Sound of Bressay om eventueel een aanval te kunnen doen op het vissersplaatsje Lerwick. Een nieuw aangelegd fort deed hem echter van een aanval afzien. Eveneens rond die tijd had een smaldeel onder aanvoering van Aert van Nes opdracht gekregen de monding van de Theems te blijven blokkeren. Hij deed daarbij een poging om met branders de Engelse vloot in de Theems te treffen. Een tegenblokkade van Engelse branders verhinderde evenwel een Nederlandse aanval. Ondertussen voer De Ruyter langs de Engelse zuidkust en joeg de inwoners van Plymouth en Portsmouth de stuipen op het lijf. En kleinschalige landing bij Torbay sorteerde echter nauwelijks effect. In oktober 1667 werd de vrede algemeen van kracht en hielden de vijandelijkheden op.

De Britse kustverdediging na de Tocht naar Chatham
Zoals zo vaak werd de put pas gedempt toen het kalf al verdronken was. Het bewind van Karel had een enorme politieke en militaire klap te verwerken gekregen. Het Engelse publiek verweet hem persoonlijk dat hij de kustverdediging had veronachtzaamd. Volgens de bekende dagboekschrijver Samuel Pepys, secretaris van de Admiralty, had Karel meer oog voor zijn minnares gehad dan voor het landsbelang: 'Sir H. Cholmly come to me this day, and tells me the Court is as mad as ever; and that the night the Dutch burned our ships the King did sup with my Lady Castlemaine, at the Duchesse of Monmouth's, and there were all mad in hunting of a poor moth.'
In de politieke storm die volgde, redde de koning zijn eigen huid door de uiterst impopulaire minister Clarendon te offeren. Het House of Lords beschuldigde hem van hoogverraad. Met doodstraf boven het hoofd, vluchtte hij op instigatie van Karel naar Frankrijk en wist zo (op het nippertje) het vege lijf te redden. 
Wat de koning inmiddels wel geleerd had, was dat het belang van kustverdediging vooral was gelegen in het pareren van buitenlandse dreiging en niet in het versterken van zijn binnenlandse machtspositie. De regering begon direct met de versterking van de Theemsmonding. Prins Ruppert van Rijnland-Palts, een neef van Karel, kreeg opdracht de aanleg van fortificaties bij Woolwich te coördineren. De stad Londen schonk direct geld om Sheerness en Gravesend te versterken. De Londenaren waren in paniek geraakt tijdens de aanval en de investering werd dus voornamelijk gedaan uit eigen belang.
In de jaren na de Vrede van Breda kreeg De Gomme opdracht om de kustverdediging van Engeland systematisch te verbeteren. Fort Sheerness werd opnieuw gemoderniseerd en afgebouwd. Aan de overkant van de Medway bij Gillingham en Cockham Wood werden twee batterijen met geschut geplaatst. De Gomme maakte direct in 1667 een begin met het ontwerp. In 1669 startte de bouw. Aan de monding van de Theems werd tegenover het stadje Gravesend het Tilbury Fort gebouwd. Hoewel er hiertoe al eerder plannen hadden bestaan, maar waren deze nooit uitgevoerd. Er kwam nu een vijfhoekig fort met bastions. Op het eiland Sheppey, waar in 1667 nog Nederlanders waren geland, werden de Royal Dockyards eveneens van degelijke fortificaties voorzien. 

Conclusie
De Tweede Nederlands-Engelse Oorlog toonde genadeloos de kwetsbaarheid van Engeland en Schotland aan voor operaties van de Nederlandse vloot. Karel had na zijn terugkeer in Engeland in 1660 weliswaar geld gestoken in de kustverdediging. Maar deze versterkingen waren vooral bedoeld om zijn binnenlandse politieke en economische positie te verbeteren. De koning en zijn ministers hadden nauwelijks oog gehad voor het gevaar dat uitging van de Nederlandse vloot. Na de Tocht naar Chatham werd een grootschalig bouwproces gestart om deze dreiging in de toekomst het hoofd te bieden. Vooral aan de Theems en de Medway werden belangrijke nieuwe fortificaties aangelegd. Deze bouwwerken zouden in de volgende eeuwen het hart van Engeland beschermen tegen vijandelijke invasies. In de Derde Nederlands-Engelse Oorlog (1672-1674) werd de Republiek vooral in de verdediging gedrongen en werden geen grootschalige aanvallen op de Britse kusten uitgevoerd. Wel werd in augustus 1673 het verlaten fort bij Lerwick door passerende Nederlanders platgebrand.16 Hier bleef het echter bij. De Tocht naar Chatham had de Britten de ernst van een degelijke kustverdediging bijgebracht. Ook was duidelijk geworden welk gevaar er uitging van Nederlandse maritieme operaties.



Copyright © Mars et Historia. Alle rechten voorbehouden.Herzien: 02 October 2008


TERUG