Het verhaal van de massale uitbraak van Japanse krijgsgevangenen uit een gevangenkamp in Cowra, Australië, tijdens de Tweede Wereldoorlog.
Inleiding
Op 5 augustus 1944, nu al meer dan zestig jaren geleden, vond een dramatische gebeurtenis plaats in het krijgsgevangenenkamp nabij het stadje Cowra, gelegen in New South Wales, Australië. De oorlog in de Pacific en Europa was nog in volle gang en temidden van het spectaculaire oorlogsnieuws kreeg hetgeen in Cowra gebeurde minder aandacht van de wereldpers, met uitzondering van de media in Australië zelf en in Nieuw-Zeeland, waar reeds eerder een dergelijk voorval had plaats gevonden. In Europa is over de bloedige gebeurtenissen in dat ver weg gelegen Cowra tot vandaag de dag weinig bekend. In dit artikel zal een korte samenvatting worden gegeven van het z.g. ‘Cowra Incident’ tijdens de Tweede Wereldoorlog. Daarna volgt een gedeeltelijk
ooggetuigeverslag van een Japanse ex-krijgsgevangene, die aan de massale uitbraak heeft deelgenomen en het heeft overleefd. Het is een beschrijving van een volgens onze begrippen waanzinnige collectieve zelfmoord en van de hier aan voorafgaande psychologische spanningen, veroorzaakt door
een zeer sterke indoctrinatie.

Het krijgsgevangenenkamp in Cowra
Tijdens de Tweede Wereldoorlog werd het ver in het binnenland van Australië gelegen plaatsje Cowra gekozen als locatie voor een kamp van krijgsgevangenen. Het kamp nummer 12 lag op ongeveer drie en een halve kilometer van het stadje, midden ineen uitgestrekte grasvlakte
tussen glooiende heuvels. Het kamp bestond uit vier afzonderlijke gedeelten,
aangeduid als complex A, B, C en D. Op die fatale datum, 5 augustus 1944, bevonden zich in complex A en C 2000 Italiaanse krijgsgevangenen,in complex B 1104 Japanse krijgsgevangenen en in complex D tot het Japanse Leger behorende krijgsgevangenen,
afkomstig uit Korea en Formosa, en een aantal Japanse officieren. De Italiaanse krijgsgevangenen gedroegen zich in het algemeen correct en stonden positief tegenover het verrichten van arbeid bij de farmers en fruittelers in de wijde omgeving. Zij werkten er met enthousiasme en meestal zonder bewaking. De Japanse krijgsgevangenen daarentegen stelden zich vanaf het begin dwars en agressief op tegen het verrichten van arbeid buiten het kamp. De krijgsgevangenen werden door de Australiërs op correcte wijze volgens de regels van de Conventie van Geneve behandeld. De gevangenen waren goed gehuisvest, kregen de benodigde kleding, meer dan voldoende te eten (de Japanners mochten zelfs hun eigen, Japanse voedsel koken), goede medische zorg en ruime mogelijkheden voor ontspanning. Uitgezonderd het schoonhouden van hun eigen verblijven, hoefden zij slechts werk te verrichten, waarmee zij konden instemmen. In tegenstelling tot de Italianen, die hun gevangenschap accepteerden zonder bitterheid, toonden de Japanners een smeulende haat tegenover hun Australische bewakers. Hoe kon het ook anders? Deze Japanners waren al tijdens hun schooljaren en vervolgens tijdens hun militaire opleiding totaal ‘gehersenspoeld’. Het ‘Keizerlijke Decreet voor de militair’ en het ‘Voorschrift voor het Slagveld’ werd er bij hen letterlijk en figuurlijk ingestampt. Deze strenge voorschriften hielden onder meer in, dat het onduldbaar was om zich, hoe dan ook, aan de vijand over te geven. Want dan overlaadde men niet alleen zichzelf, maar ook zijn gehele familie met een eeuwig durende schande, wat tevens betekende, dat zij allen in hun verdere leven als paria’s in de maatschappij zouden worden behandeld. De geest van de Japanse soldaat werd als het ware doordrenkt met opvattingen als: ‘Het leven is zo licht als een veer en plicht zo zwaar als een berg, …… en eervol te sterven betekent voor altijd te leven’. Soldaten werden zonder meer geacht te overwinnen of te sneuvelen in de strijd. Bijna alle Japanners in het Cowra kamp waren krijgsgevangen gemaakt, omdat zij op dat moment zwaargewond en bewusteloos waren of totaal verzwakt door ziekten als malaria, dysenterie en uithongering, of ook wel omdat zij als drenkeling uit zee waren opgepikt, nadat hun troepentransportschip tot zinken was gebracht. Zij allen gaven eenstemmig te kennen: ‘Niemand van ons heeft zich met de handen in de hoogte aan de vijand overgegeven’. Velen van deze krijgsgevangenen verzwegen hun eventuele rang en echte naam. Zij gaven een valse naam op, opdat hun familie voor schande werd gevrijwaard.
Tot de eerste Japanse krijgsgevangenen in Australië behoorden ook piloten van neergeschoten vliegtuigen, afkomstig van vliegkampschepen. Één van hen was de marinevlieger van een Zero jachtvliegtuig, die bij een luchtaanval op Darwin een
crashlanding had moeten maken, namelijk sgt. Toyoshima, die als krijgsgevangene onder de naam Minami bekend stond. Hij was de man, die bij de opstand en uitbraak in het kamp bij Cowra een leidende rol heeft gespeeld. Het besef krijgsgevangene te zijn gaf bij deze Japanse militairen aanleiding tot voortdurende geestelijke spanningen, die bij velen van hen haast onvermijdelijk tot een uitbarsting moest leiden.
Extra bewakingsmaatregelen en de bekendmaking van overplaatsing naar een ander kamp
Op 3 juni 1944 ontving de Australische kampcommandant een rapport met informatie afkomstig van een Koreaanse krijgsgevangene. Die had uit gesprekken tussen gevangenen kunnen opmaken, dat er plannen werden beraamd om tijdens een massale uitbraak het bewakingsgarnizoen aan te vallen en hun wapens en munitie te bemachtigen. Naar aanleiding van dit bericht werden door de commandant extra voorzorgsmaatregelen genomen om een dergelijke opstand neer te slaan. Op 4 augustus1944 werden de Japanse kampleider en diens assistent door de Australische kampleiding aangezegd, dat op 7 augustus 1944 alle Japanse krijgsgevangenen beneden de rang van onderofficier naar een ander kamp zouden worden overgeplaatst. De eerder vermelde Minami als Japanse assistent-kampleider daarbij aanwezig, merkte toen op, dat hij ‘het een heel slechte zaak vond’, en vroeg ‘waarom zij niet allemaal konden gaan’.
De massale uitbraak
In de nacht van 4 op 5 augustus1944, om 01.30 uur, onmiddellijk na een kennelijk afgesproken hoornsignaal, renden de Japanners van kamp B, gewapend met keukenmessen, broodmessen, honkbalknuppels, bijlen, beitels en houten palen, onder uitzinnig geschreeuw en ‘Banzai’-gekrijs, uit hun gebouwen naar de uit prikkeldraad bestaande kampomheining. In groepen van ongeveer 200 tot 300 man stormden ze naar vier plaatsen van de omheining. Daar aangekomen, gooiden zij onder nog steeds luid ‘Banzai’-geschreeuw, dekens op het prikkeldraad en klommen daar over heen of kropen er onder door. Anderen, die enige lagen kleding over elkaar hadden aangetrokken, gingen op het prikkeldraad liggen, zodat de achter hen aan komenden over hen heen konden klimmen. Dat gebeurde op twee plaatsen aan de buitenzijde van de omheining en op twee plaatsen aan de kant van de
z.g. ‘Broadway’, de ongeveer 40 meter brede en 600 meter lange corridor tussen de vier sectoren van het kamp. Het kleine aantal schildwachten trok zich terug op de zuidelijke poort, toen de gevangenen tot in de Broadway waren doorgebroken. Bijna tegelijkertijd raakten achttien barakken in brand door de met stromatrassen bedekte, door de gevangenen opzettelijk veroorzaakte oververhitte verwarmingskachels. Om 01.50 uur werd door de kampbewaking groot alarm gegeven en de drie kilometer verderop gelegen
infanterieopleidingskamp van het Leger door middel van lichtfakkels en per telefoon gewaarschuwd. Gedurende het verloop van de gebeurtenissen viel de verlichting uit als gevolg van door mitrailleur- en geweervuur vernielde elektriciteitsdraden. Terstond ging de noodverlichting aan. Twee Vickers machinegeweren no.1 en no.2 waren geposteerd en gericht op het B-kamp. No. 2 stond opgesteld op een aanhangwagen. Beide machinegeweren waren direct na het alarm bemand en openden het vuur op de aanstormende Japanners. Sommigen van hen zagen kans
onder de aanhangwagen te kruipen en sloegen de schutter, soldaat Hardy met een knuppel dood en wisten diens helper, soldaat Jones met messteken zwaar te verwonden. Jones kon strompelend nog de wacht bereiken, waar hij in elkaar zakte en aan zijn verwondingen overleed. Gedurende het gevecht zag Hardy nog kans de vergrendeling van zijn vuurwapen te verwijderen, waardoor dit onbruikbaar was geworden en hij daarmee vele levens heeft gered. Hardy en Jones kregen beide
postuum het George Cross voor hun moedig gedrag. Van de groepen gevangenen, die waren doorgebroken tot de Broadway, viel een groep de zuidelijke poort aan en de andere groep de noordelijke poort. Een nog weer andere groep forceerde een poort van kamp D, waar zich de Japanse officieren bevonden. Zij die waren doorgebroken werden neergeschoten en één Japanse officier werd gedood. Al die tijd bleven de Italianen in hun barakken. Onder hen en onder de Koreanen en Formosanen zijn geen slachtoffers gevallen. Van de 1104 Japanse gevangenen, die in kamp B zaten, konden 378 ontvluchten door de buitenomheiningen en door de zuidelijke poort. De rest, die nog in het kamp werd aangetroffen, had ofwel geen poging gedaan om te ontsnappen of was de poging tot ontsnappen niet gelukt.
Einde van het oproer
Tegen de ochtend viel er sporadisch nog wel een schot, maar was de rust weergekeerd. Bij het aanbreken van de dag en het licht was geworden, bleek het terrein bezaaid met doden en gewonden. Om 08.30 uur werd begonnen met het verzamelen van de gewonden, die onmiddellijk naar de kamphospitalen werden gebracht. Daar werden de operatiegevallen door twee teams van chirurgen direct behandeld. Een werkgroep van Japanners moest onder toezicht van de bewaking de doden bijeenbrengen. Zij lagen verspreid over Broadway, bij de
prikkeldraadomheining en binnen en buiten het Bkampterrein. Bij de doden, die waarschijnlijk zelfmoord hadden gepleegd, stak het mes nog in de borst of buik, of waren de kelen doorgesneden. In de goten langs de weg vond men overlevenden, die zich terstond overgaven. Andere overlevenden, die verdoofd en verbijsterd in de Broadway rondliepen, werden snel opgepakt. Minami, één van de leiders van de opstand, vond men met doorgesneden keel dood in de goot. Bij de inspectie van het B-kamp werden in de asresten van de verbrande barakken verkoolde lichamen gevonden. In een andere barak hingen de dode lichamen van acht Japanners, die zich hadden opgehangen en twee lichamen hingen aan de middenbalk in de keuken. 378 gevangenen hadden kans gezien te ontvluchten en zwierven in de wijde omtrek van het kamp rond. Tijdens de negen dagen, die op de uitbraak volgden, werden door patrouilles van het Australische leger 334 van hen zonder noemenswaardig verzet opgepakt en 25 man dood aangetroffen. Uit onderzoek bleek, dat enkelen van hen door hun landgenoten zijn gedood. Twee hadden zich voor een trein gegooid. Sommige vluchtelingen werden zelfs op meer dan 20 km ver van Cowra gelegen plaatsen aangetroffen.
Aantallen slachtoffers
Onder de Australische militairen werden één officier en drie manschappen gedood en vier manschappen gewond. De stoffelijke overschotten van de gesneuvelden werden op de Australische War Cemetery van Cowra ter aarde besteld. Het totaal aantal Japanse slachtoffers bedroeg: 1 officier en 230 man gedood of aan hun verwondingen overleden, 1 officier en 107 manschappen gewond. Onder de Japan-se doden waren er tientallen, die door zelfmoord om het leven waren gekomen. De lichamen van de dode Japanners werden begraven op een terrein naast de Australische War Cemetery van Cowra. De graven van de Japanners worden tot op de dag van vandaag gezamenlijk verzorgd door de inwoners van Cowra, de Vereniging van Australische Veteranen en de Australische Overheid.
Het verhaal van de Japanse ex-krijgsgevangene onderofficier Masaru Moriki
Enkele Japanse overlevenden van de ‘Uitbraak’, met name Masaru Moriki en
Fujikawa (noot 1) hebben vele jaren na de oorlog hun verhalen over de gebeurtenissen in Cowra verteld. De onderofficier Masaru Moriki van het 144ste
infanterieregiment werd tijdens de gevechten van december 1942 in de Owen Stanley Range in Papua Nieuw-Guinea krijgsgevangen gemaakt, toen hij zwaargewond en buiten bewustzijn op het slagveld lag. Na maanden van medische behandeling en verpleging, laatstelijk in een militair hospitaal in Brisbane, belandde hij uiteindelijk in het krijgsgevangenenkamp van Cowra. Hieronder volgt het door Moriki beschreven relaas van wat zich kort vóór en na de ‘Uitbraak’ binnen het kamp heeft afgespeeld. ‘Nadat in het kamp bekend was geworden, dat alle Japanse krijgsgevangenen beneden de rang van onderofficier zouden worden overgeplaatst, kwamen de groepsleiders herhaaldelijk voor een bespreking bijeen. Wij hadden geen notie van wat die leidersvergaderingen inhielden. Om vijf uur in de namiddag van 4 augustus 1944 kwam onze groepsleider, Kinoshita, terug van de laatst gehouden bijeenkomst en deelde ons mee wat er uiteindelijk was besloten. Hij zei het volgende: “De scheiding tussen onderofficieren en soldaten is een tragedie, die vergelijkbaar is met een breuk in het Japanse familiesysteem. Er is besloten, dat wij niet akkoord gaan met die order en er vastberaden tegen zullen vechten. Wij zetten de aanval door en zullen
sterven in het gevecht. Hierover zal door ons allen na een algemene stemming worden beslist”. Het hele kamp was in beroering geraakt. Het fanatieke gedrag van de “hardliners” overspoelde het kamp met een bloeddorstige stemming, alsof reeds was gezegd dat nu de tijd was gekomen voor de actie. Ieder van ons werd nu voor de keus gesteld om te blijven leven of te sterven. Welke de beslissende factoren voor onze keus dienden te zijn, waren zonder meer de paragrafen uit het “Keizerlijke Decreet voor de militair” en de “Voorschrift voor het Slagveld”. “Het leven is zo licht als een veer”. “… neem de schande niet op je door je levend over te geven ... en een te schande gemaakte naam na te laten.” Deze regels golden voor ons als het allerhoogste gebod. Als Japans militair hadden wij gekozen voor de dood. Wij kunnen niet blijven leven met de schande van te zijn gevangen genomen. Indien wij hoe dan ook toch moeten sterven, dan maar zo spoedig mogelijk. Deze gedachten bevonden zich niet alleen in de hoofden van de
“hardliners”, maar bij iedereen van ons. Wij allen ondergingen die dagelijkse geestelijke kwelling van de schande. Dat Keizerlijke Decreet, dat als het ware in onze geest was gebrandmerkt, was de kern van de militaire discipline.
Uitslag van de stemming
Nadat iedereen had gestemd, werd een korte tijd later de uitkomst van de stemming bekendgemaakt. Zo’n 80%, een overweldigende meerderheid, stemde voor de aanval, dus voor de dood. Vervolgens vertelde onze groepsleider ons het plan van de aanval: ”Uiteindelijk is besloten voor de aanval, met als doel daarbij te sterven. De aanval begint vanuit drie barakken. De groepen 1 tot en met 12 vallen rechtstreeks de vijandelijke gebouwen aan. De 13e groep en de rest van de groepen komen van achter op en bestormen de wachttoren en breken van onder
de toren door de omheining. Daardoor kunnen we gebruik maken van de dode hoek van de toren en verhogen daarmede de kans dat de vijand op elkaar zal schieten. De sterkte van de aanvalsgroep is ongeveer gelijk aan die van een compagnie. Zij die de aanval hebben overleefd, verzamelen zich op de heuvel achter het kamp, waar dan tot de volgende actie zal worden beslist. Iedereen zorgt een scheermes bij zich te hebben om zo nodig zelfmoord te plegen. Als wapens nemen we messen, vorken, honkbalknuppels en brandhoutpalen mee. Alle niet gedragen kleding wordt in het midden van de barak opgestapeld en op het moment van de aanval in brand gestoken. Elke groep neemt vier of vijf dekens mee, om die over de prikkeldraad-barricade te leggen. De zieken en gehandicapten (die niet goed kunnen lopen), plegen vóór het tijdstip van de aanval zelfmoord. De aanval begint om 2 uur morgenochtend. De onderofficier Minami zal het hoornsignaal blazen.“ Het wiel was in beweging gezet en rolde in een lugubere stilte naar de dood. Augustus is in Australië midden in de winter. Die nacht was het koud en er woei een kille wind. Ik ging naar buiten en liep alleen in het bleke maanlicht. Tezelfdertijd liepen jongemannen van barak naar barak om afscheid van elkaar te nemen. “Bedankt voor jouw goede zorgen.” “Laten we het op de goede wijze doen.” “Dat wij elkaar weer mogen ontmoeten bij de Yasukuni-Schrijn.” De opwinding leek op die op de nacht vóór een landing op vijandelijk gebied. In afwachting zaten wij bij het haardvuur in de barak tot het sein van de aanval zou worden gegeven om naar buiten te stormen. Onverwacht kwam er iemand binnen, die op zachte toon vertelde dat drie mannen van groep 11 zich reeds na elkaar hadden opgehangen. “Ik vraag u excuus, dat ik U voorga.“ Alle drie zeiden deze woorden, voordat zij zich ophingen. Op dat moment kwam er weer iemand aan de deur, die zei: ”Nog 15 minuten.“ en rende vervolgens naar de volgende groep. De tijd begon te verstrijken en ieder van ons stond op met in de hand één of ander soort van wapen.

"wapens"
De massale uitbraak
Om precies 01.30 uur in de ochtend klonk plotseling het hoornsignaal. Als eersten sprongen zij, die bij de deur stonden, onder luid geschreeuw naar buiten, onmiddellijk gevolgd door de anderen. Het gebrul verspreidde zich over het kamp. Op hetzelfde moment renden zo’n 1200 Japanners in drie groepen op de
prikkeldraadomheiningen af, gewapend met stokken, messen, knuppels, vorken, enz. Omdat mijn
gewonde been nog niet geheel genezen was, had ik bij het lopen nog altijd een wandelstok nodig. Dus volgde ik, al hinkende om niet achterop te raken, onder luide aanmoediging van de groepsleider. Vanaf de wachttoren werd, bij het zien van het oproer, onmiddellijk het vuur
geopend. Ik viel enkele malen op de grond, voordat ik de omheining bereikte. Wat ik toen zag waren de brandende barakken, omringd door vlammen, die zich over het kamp verspreidden. Bij de omheining gekomen, klom ik er als een gek hijgend tegenop. Lichtspoorkogels vlogen mij om de oren. Mannen, die bij de eerste schoten dodelijk waren getroffen, hingen in het prikkeldraad. Op de één of andere manier lukte het mij om er over heen te klimmen, ondanks dat mijn kleren enkele keren aan het prikkeldraad bleven vastzitten. Slepend met mijn ene been ging ik door. Het schieten werd intensiever en ik zag bij mijn voeten kleine stofwolkjes van inslaande kogels opstijgen. “Banzai! Leve de Keizer.” “Soldaat 1e klas die en die, gesneuveld in de strijd.” Deze kreten werden gehoord tussen de schoten door.
Eindelijk lukte het mij om over de prikkeldraadversperring heen te komen en kwam ik terecht op de brede weg die recht naar de vijandelijke barakken leidde. Een deel van de sterkeren onder ons, die eerder door de barricade waren gekomen, bevonden zich ter hoogte van de officiersbarak. Ik kon het zien aan de concentratie van lichtspoorkogels, die op die plaats gericht waren. Achter mij aan kwamen meer gehandicapten. Maar hoe dan ook, door mijn trots als militair, kon ik mij niet veroorloven om achter hen aan te komen. Recht voor mij, op minder dan 100 meter, lagen de opgestapelde zandzakken, waar vandaan de vijand zonder ophouden op ons schoten. Zij moesten
ons zeker hebben kunnen zien. De geweerschoten vanuit de wachttorens leken nauwkeuriger gericht.
Kameraden vielen links en rechts om mij heen. Van de vele meest bezielde aanvallers, die als eersten
voorwaarts waren gestormd, lagen de bovenop elkaar gevallen lichamen nabij de poort. Ik hoorde het kreunen van de gewonden, zag het bloed vloeien van de bewegingloze lichamen, die donkere plekken op het asfalt vormden. Opeens gingen alle lichten uit. Maar direct daarna schoten lichtfakkels omhoog, die de omgeving verlichtten. Toen begon het schieten weer opnieuw. Hier en daar was het gekreun van de gewonden te horen en daar tussen door de tragische kreten “Banzai! Lang leve de Keizer.” Bij het licht van de lichtfakkels en een sterk zoeklicht werden wij geheel zichtbaar als doelwit. Aan beide kanten van de weg bevonden zich cementen goten, diep genoeg om in te liggen. Haast instinctief gingen wij er in liggen. Ik merkte op dat voor en achter mij nog levenden lagen. Vanaf dat moment begon het schieten te verminderen.
Einde van het oproer
Tot dan toe was ik in een staat van verdoving en voelde geen kou. Maar allengs kroop de ijskoude kilte vanaf de stenen bodem van de goot door mijn huid in mijn lichaam. De lichten sprongen weer aan. De soldaten in de wachttoren scholden naar ons.
“Idioten!.” “Kom maar op, Jap!” Geen van ons reageerde daarop. Ook ik had niet het gevoel om terug te slaan. Langzamerhand begon het ochtend te worden en het werd lichter om ons heen. Toen stonden één, twee, drie … meer personen op uit de goot. Ik kwam ook overeind en ging aan de kant van de weg zitten en keek zonder enig gevoel van emotie in het rond. Dode lichamen lagen her en der verspreid. Bedekt met het wit van de rijp, markeerde hun geronnen bloed de grond met donkerzwarte vlekken. Bij de aanblik van dit alles kwam een schuldgevoel in mij op. Wij hadden samen deze beroering teweeggebracht en wij waren er zeker van, dat wij allen zouden worden gedood. Toen ik in de goot lag, had ik mij nog in de tong gebeten. Beter mezelf te doden dan gedood te worden, dacht ik. Alles werd op een moment zwart met lichtflitsen voor mijn ogen. Ik voelde iets lauw warms in mijn mond. Ik spuugde het uit en zag de stenen bodem rood worden. De wond begon te kloppen van de pijn. Ineens vroeg ik mij af wat er met Do, Morioko, Yamamoto, Tsuno en onze groepsleider Kinoshita was gebeurd. Zijn ze allen dood, vroeg ik mij af, want dat wilde ik wel weten. Om de één of andere reden kon ik niet sterven. Wel vroeg ik me verbaasd af of ik nog gehecht was aan het leven. Dat kon niet waar zijn. Ik vreesde de dood niet. Het enige wat ik kan zeggen was, dat ik mij als een slaapwandelaar voelde.
De morgen na de uitbraak
Met het aanbreken van de dag was het schieten geheel opgehouden. Wij wisten niet hoe de situatie van de uitgebroken groepen was. Maar de meesten van onze
groep, inbegrepen de gewonden, leken nog in leven te zijn, evenals ikzelf. Ik stond op en liep rond om te weten te komen, of diegenen, die mij na stonden, nog in leven waren. Achtereenvolgens kwam ik Kato, Kinoshita, die gewond was, en Do tegen. Wij hadden niet de sterke wens om in leven te blijven Zij, die gesneuveld waren, waren ons een stap vóór geweest. Zij hadden geluk. Wij waren niet bang voor de dood. Maar waarom vermeden we de kogels van de vijand? Ik kan slechts zeggen, dat het een instinctieve daad was. Deze tegenstelling kan ik niet anders verklaren. Ik bleef de gedachte houden, dat hoewel wij het nu hebben overleefd, wij hoe dan ook, eens zullen worden doodgeschoten.” Zo heeft Masaru Moriki zijn verhaal over de gebeurtenissen van 5 augustus 1944 beschreven.
Wat heeft volgens Nagase Takashi tot die massale uitbraak geleid?
Na diens bezoek aan Cowra gaf de voormalige tolk van het Japanse leger.in de krijgsgevangenkampen aan de Burma-Thailand Spoorweg, Nagase Takashi, in zijn boek “The Double-Edged Dagger” een vergelijking van de omstandigheden van de Geallieerde gevangenen aan de Birma-Thailand Spoorweg en die van de Japanse krijgsgevangenen in Cowra. “De Geallieerde krijgsgevangenen moesten trachten te overleven uit de hel, waarin zij leefden. Voor hen was elke dag nog in leven te zijn, er één. Terwijl in Cowra de Japanners daarbij vergeleken een paradijselijk leven hadden. Maar die Japanners gingen voortdurend gebukt onder gevoelens van schande, vernedering en zonder enige hoop op een thuiskomst. Zij verkeerden geestelijk in een toestand van wanhoop. Deze staat van een aanhoudende geestelijke ontreddering moest op den duur, wanneer een aanleiding zich zou voordoen, wel leiden tot een psychologische uitbarsting. Het besluit van de kampleiding om onderofficieren en soldaten te scheiden, bood hen de kans om tot actie over te gaan. Zo’n scheiding zou een breuk betekenen van de band die hen nog met elkaar verbond en gelijk staan met een breuk in het Japanse familiesysteem. Zij zouden zich verlaten kunnen voelen in het immense binnenland van Australië. In het Japanse leger werden zij getraind om zonder nadenken de bevelen van hun meerderen op te volgen. Zonder een bevel konden zij bijna absoluut niets doen. Het was een natuurlijke gedachtegang voor hen geworden. Dit alles kon uiteindelijk de oorzaak zijn geweest voor de massale zelfmoordactie.” Op de terugweg na zijn bezoek aan Cowra keek Takashi vanuit de bus naar een grote kudde schapen op de uitgestrekte vlakte, die allemaal in één en dezelfde richting liepen. Die schapen deden hem danken aan de goed getrainde en gedisciplineerde soldaten van het
Keizerlijke Japanse leger van meer dan vijftig jaar geleden. “In deze immense grasvlakten is geen andere manier van leven mogelijk dan die van een schaap.” Deze gemompelde woorden van de buschauffeur maakten op Takashi een diepe indruk en hij dacht daarbij aan de in die mistroostige wijde vlakte gevangen soldaten en officieren, die tijdens en na de uitbraak het leven lieten, zich als het ware als schapen naar de slachtbank lieten leiden. In zijn verslag maakte Takashi nog een sarcastische opmerking over generaal Tojo, Japans premier en minister van oorlog tijdens de Tweede Wereldoorlog. “In het “Voorschrift voor het Slagveld” of “Senzin Kun”, door Tojo in 1941 uitgevaardigd, stond: ”Sterf niet in schande door je levend gevangen te laten nemen … en laat bij je dood geen slechte naam na.” Maar Tojo zelf pleegde geen zelfmoord en aanvaardde de vernedering om in eigen land gevangen genomen te worden. Het is toch belachelijk dat de urn met as van deze man is bijgezet in de Yasukuni-Schrijn in Tokyo, waar jaarlijks door de ministers van het kabinet de doden, die in dienst van de keizer zijn gevallen, worden herdacht. Ik vraag mij af, waar moet het met dit volk heen?”, aldus
Takashi.
Overplaatsing naar een ander kamp
De ongeveer 800 overlevenden van de uitbraak in Cowra werden overgeplaatst naar kamp nummer 7, bij het plaatsje Hay. In die tijd werden de Japanse troepen uit Nieuw-Guinea en de Salomons eilanden verdreven. Het gevolg was een sterke
toename van het aantal krijgsgevangen Japanners. De uit Cowra afkomstige gevangenen werden in een extra zwaarbewaakt gedeelte van het kamp afgezonderd gehouden van de nieuwkomers. Daar verbleven zij tot aan het einde van de oorlog.
Einde van de oorlog
Kampleider van de Japanners uit Cowra was toen de gematigde marineonderofficier Do. Onder zijn leiding konden de weinig overgebleven
“hardliners” de algemene stemming niet meer beïnvloeden. Toch bleven zij tot het laatst trachten onrust te zaaien. Op de 15e augustus 1945 werd de Japanse kampleider en assistent-kampleider bij de Australische kampcommandant geroepen. Die deelde hen mee dat Japan zich onvoorwaardelijk had overgegeven aan de Geallieerden. De volgende dag konden zij de proclamatie van hun keizer via de radio op zijn bureau beluisteren. Op 17 augustus 1945 werd die aan alle gevangenen voorgelezen. Daarna kon men zich voorbereiden op een terugkeer naar hun land. In februari 1946 werd de datum van vertrek bekend. Samen met gevangenen uit andere kampen gingen zij met in totaal 3000 ex-gevangenen op 1 maart 1946 aan boord van de “Taika-maru”, die hen naar Japan terugbracht. De stemming van de meeste van deze “thuisvaarders” varieerde van getemperde opluchting tot het nog steeds knagende gevoel van schaamte. Een ex-gevangene van Cowra, Masatoshi Kigawa, verwoordde het als volgt: “Wij dachten dat wij als
ex-gevangenen zelfs nu na de oorlog nog een sombere toekomst voor ons hadden. Velen van ons dachten, dat wij als voormalige krijgsgevangenen bij aankomst in Japan waarschijnlijk naar een afgelegen plaats of onbewoond
eiland zouden worden gebracht om aldaar door het Japanse leger te worden doodgeschoten Wij hadden het gevoel dat een
ex-gevangene niet kon hopen om nog ooit in de Japanse samenleving te kunnen terugkeren.”
Vereniging van overlevenden uit Cowra
In de loop der jaren die volgden op hun thuiskomst kwam bij een aantal van de
ex-gevangenen een sterke verandering in houding en een groeiend gevoel van eigenwaarde. Zelfs een gevoel van trots als zijnde te hebben behoord tot hen, die Cowra in 1944 hebben meegemaakt en dat men ook op eervolle wijze krijgsgevangene kon zijn. In 1964 stichtten zij een vereniging op, de ‘Cowra Kai’, met als doel de onderlinge kameraadschap te bevorderen en jaarlijks hun dode kameraden uit Cowra te gedenken. Voorzitter werd Masatoshi Kigawa en later heeft ook Moriki die functie vervuld. Tijdens zijn periode als voorzitter heeft Moriki veel pogingen gedaan om in contact te komen met de ongeveer 800 overlevenden van Cowra. Volgens Moriki zou meer dan de helft van hen tegenover familie, vrienden en kennissen koppig weigeren te bekennen een ex-krijgsgevangene te zijn. Van de meer dan 300 ex-gevangenen, die wel de waarheid aan hun familie hebben verteld, bleken slechts tachtig personen zich bij de vereniging te hebben aangesloten en de jaarlijkse herdenking van de gevallen kameraden op 5 augustus bij te wonen.
Ceremoniële opening van de Japanse begraafplaats in Cowra
In juni 1965 werd een ceremonie gehouden bij de opening van de Japanse begraafplaats. Een delegatie van de ‘Cowra Kai’ en enkele familieleden uit Japan van overleden slachtoffers konden op uitnodiging van de stad Cowra en de Vereniging van Australische Veteranen de ceremonie bijwonen. In 1983 en in 1993 heeft, wederom op uitnodiging van Cowra en de Australische Veteranen, een groepsdelegatie van Japanse ex-gevangenen Cowra bezocht en deelgenomen aan de kranslegging op de begraafplaats. De begraafplaats, waar vele van hun dode kameraden liggen begraven onder een grafsteen met een valse naam. Hun familie in Japan is de “schande” bespaard gebleven en zij zullen nooit weten dat hun man, zoon of broer, een laatste rustplaats in de aarde van Cowra heeft gevonden.

Monument
| Bronnen: |
|
|
| Cowra Uprising |
- |
Masaru Moriki , 1984 |
| The Cowra Breakout |
- |
Publication Cowra Shire Council |
| The Double-Edged Dagger |
- |
Nagase Takashi , 1994 |
| The Question of Hajime |
- |
Craig Bellamy , 1995 |
| A History of Modern Japan |
- |
Richard Storry, 1961 |
Noot 1:
De ervaringen van Fujikawa zijn terug te vinden in Cowra Uprising van Masaru Moriki en in The Double-Edged Dagger
van Nagase Takashi.
|