|
Door Peter C. Boer (tekst © P.C. Boer)
Illustraties Bert van den Broeke (© B. v.d. Broeke/P.C. Boer)
Inleiding
Direct voorafgaand aan het uitbreken van de
Tweede Wereldoorlog in Europa voerden de vliegtuigen van het Wapen der
Militaire Luchtvaart van het Koninklijk Nederlands-Indisch Leger (ML/KNIL,
toen nog geen Wapen maar een Afdeling) een ratjetoe aan camouflage-kleuren
en –schema’s of zelfs helemaal geen camouflagekleuren. Zo waren
bijvoorbeeld de rompen van de Fokker C.10 verkenners “khaki” (een vrij
donker groen, “best match” FS 24098), die van de Koolhoven FK.51
lesvliegtuigen “camouflage-bruin” (een soort, ook in Nederland op
lesvliegtuigen gebruikt, chocoladebruin, “best match” FS 20117) en
waren de rompen van de Glenn Martin B-10
bommenwerpers lichtblauw en de vleugels geel zoals bij het U.S.
Army Air Corps (USAAC). Wel hield de ML al in 1938 een voorraad
“camouflage-groene” verf en dope aan, om in tijden van oplopende
spanning de bommenwerpers te kunnen camoufleren. Deze kleur zou, zoals
hierna zal worden uiteengezet, in 1940 een van de standaard
camouflagekleuren op de operationele vliegtuigen van de ML worden. De
operationele vloot van de ML, toen nog volop in opbouw, bestond in het
najaar van 1939 uitsluitend nog uit Glenn Martin B-10 bommenwerpers en wel
van vier verschillende subtypes (WH-1, -2, -3 en 3A). Pas in juli 1940 formeerde de ML op Andir een eerste afdeling
jachtvliegtuigen met de eerste uit de V.S. ontvangen Curtiss H-75A-7 Hawks.

Twee nieuw opgebouwde Curtiss H-75A-7
Hawks gefotografeerd bij de Technische Dienst van de ML te Andir in juli
1940. Op de achtergrond staan twee Glenn Martin WH-2 bommenwerpers (officiële
ML-foto, via G.J. Casius).
Toen in het najaar van 1939 de Tweede Wereldoorlog in Europa daadwerkelijk
losbarstte, kocht de ML/KNIL extra “camouflage-groene” verf en dope in
om alle operationele vliegtuigen in tijden van oplopende spanning
en buitengewone omstandigheden op een zinvolle wijze te kunnen
camoufleren. Voorlopig bleef de camouflageverf en dope echter nog in
opslag. [1] De kleur “camouflage-groen” betrof in feite de al langere
tijd bestaande olijfgroene camouflageverf die ook op alle voertuigen,
geschut etc. van het KNIL was te vinden. Deze kleur was door het KNIL zelf
door middel van veldexperimenten ontwikkeld en was een duidelijk andere
kleur dan het hiervoor genoemde “khaki”. De door de ML gebruikte matte
vliegtuigverf en dope in de kleur “camouflage-groen” werd door het
KNIL via een handelsfirma op Java besteld in de V.S. bij de firma DuPont.
Hoe deze kleur er precies uitzag, wordt eveneens hierna beschreven. [2]
Nederland in oorlog, camouflage en camouflageproeven in Indië
Al in april 1940 zag men de inval in Nederland aankomen met de Duitse
aanval op Denemarken en Noorwegen. Als Nederland daadwerkelijk in oorlog
zou raken, verwachtte het KNIL Duitse “raiderschepen” in de Indische
wateren en de bommenwerpers van de ML waren onder andere nodig voor het
aanvallen van deze “raiders”.
De Staf van de ML begon met het uitwerken van plannen om de
bommenwerpervloot van de ML zo snel mogelijk volledig operationeel te
maken. Een van de maatregelen waartoe werd besloten, was het daadwerkelijk
camoufleren van de Glenn Martin bommenwerpers, waarmee omstreeks begin mei
1940 werd begonnen. Als eerste werden negen nieuwe Glenn Martin WH-3A’s,
bestemd voor de afdeling
1-Vl.G.II, door de Technische Dienst (TD) van de ML te Andir volledig
“camouflage-groen” gespoten. [3]
Direct na de bezetting van Nederland,
rond 16 mei 1940, besloot men om alle ingedeelde vliegtuigen van
de ML te camoufleren. Alle bommenwerpers, jachtvliegtuigen (voorlopig
slechts één Fokker D.21) en transportvliegtuigen (voorshands een tweetal
Fokker F.7’s en een mobilisabel Waco privé vliegtuig) werden daarop
volledig in de kleur “camouflage-groen” gespoten. Dit vooruitlopend op
een op te stellen Camouflageplan voor de volledige infrastructuur en alle
voertuigen, vliegtuigen en andere “hardware” van de ML. De gebouwen,
hangaars etc. wilde men niet alleen in camouflagekleuren spuiten, maar ook
door middel van beplantingen moeilijker vanuit de lucht herkenbaar maken.
De ML huurde een civiele plantkundige in om hierbij behulpzaam te zijn.
Deze deskundige adviseerde in juni-juli 1940 ook over mogelijk
toe te passen camouflageschema’s met twee kleuren donkergroen
voor de Glenn Martin bommenwerpers en de Curtiss H-75A-7 Hawk jachtvliegtuigen.
[4]
In mei 1940 viel ook het besluit om
voor de volledig in “camouflage-groen” gespoten
Glenn Martins een al in 1939 ontworpen camouflageschema met een
licht grijze kleur op de onderzijde uit te proberen. Dit om de
zichtbaarheid vanaf de grond op vlieghoogtes tussen 3.000 en 5.000 meter
te verminderen, zowel tegen een achtergrond van wolken als in heldere
lucht. Een geschikte kleur was al voor handen, omdat in 1939 verschillende
tinten grijs en grijsblauw waren uitgeprobeerd op een Glenn Martin WH-3.
Als beste oplossing om de zichtbaarheid te verminderen kwam toen een heel
lichte kleur mat grijs uit de bus, een kruising tussen “cream white”
en licht grijs. Een kleur die de vliegers
van het volledig in bedoelde kleur gespoten vliegtuig tijdens
formatievliegen in heiïg weer als
gevaarlijk beschouwden voor de vliegveiligheid. Verf en dope in deze kleur
“licht grijs” waren in 1939 besteld in de V.S. bij DuPont, om de
nieuwe in dat jaar afgeleverde WH-3A’s voor de ingebruikname (in 1940)
deels in “camouflage-groen”, deels in “licht grijs” te kunnen
camoufleren. [5] De
uitvoering van dat voornemen liep wat vertraging op, zoals al vermeld
werden de eerste negen WH-3A’s voor 1-Vl.G.II volledig
“camouflage-groen” gespoten, en werd niet volledig uitgevoerd.
Een tweetal
nieuwe Glenn Martin WH-3A’s (de M582 en de M586) werd door de TD
te Andir begin juni 1940 deels in “licht grijs” gespoten. Vanwege de
vliegveiligheidsaspecten werden alleen de onderzijde van de romp, de
onderzijde van de vleugels (met uitzondering van de “camouflage-groen”
gelaten onderzijden van de vleugelvoorranden en vleugeltips), de
onderzijde van de motorgondels en de motorkappen en de onderzijde van de
horizontale staartvlakken en hoogteroeren in “licht grijs” gespoten
De proef slaagde als
verwacht en het gevaar van botsingen bij formatievliegen liep door de
donkere “camouflage-groene” bovenzijde en rompzijkanten sterk terug.
In de loop van juni 1940 spoot de TD te Andir ook zeven andere nieuwe voor
afdeling 2-Vl.G.II bestemde WH-3A’s (de M592 tm M597 en de M600) in dit
proefschema. [6]

Glenn Martin M586 van afdeling 2-Vl.G.II
gefotografeerd tijdens een bezoek aan Darwin op 16 mei 1941. Door de
lichtval en het geringe contrast tussen de twee donkergroene kleuren van
de camouflage is het verschil tussen deze kleuren bijna niet te zien. Ook
de licht grijze onderzijde van het toestel is, evenals die van de op de
achtergrond geparkeerde M597, vrijwel niet zichtbaar (AWM, via G.J. Casius).
Tegen het einde van juni 1940 spoot de TD nog een andere nieuwe Glenn
Martin WH-3A, de M591, in een geheel nieuw proefschema met op de
bovenzijde en de romp een patroon van twee kleuren donkergroen en “licht
grijs” op de onderzijde. De ML wilde namelijk ook de zichtbaarheid
(vanuit de lucht) van toestellen op de grond zoveel mogelijk verminderen,
speciaal wanneer geparkeerd tegen een
achtergrond van tropische vegetatie. De bovenzijde en de gehele romp (dus
ook de onderzijde daarvan) van de Glenn Martin kreeg daarom een patroon
van “camouflage-groen” en “donkergroen”. De kleur
“donkergroen” was gemaakt
door “camouflage-groen” te mengen met zwart. Deze camouflage kwam ook
op de onderzijde van de vleugelvoorranden (inclusief die tussen
motorgondels en romp), de onderzijde van de vleugeltips en een belendende
strook plaatwerk over de breedte van de vleugel, op de onderzijde van de
motorgondels en de motorkappen en, zoals al vermeld, op de onderzijde van
de romp. Het bleek een prima compromis. De zichtbaarheid op zowel de grond
als in de lucht, liep aanzienlijk terug. De proefnemingen duurden slechts
enkele weken waarbij vanuit Andir en vanuit enkele schuilterreinen werd
gevlogen. Ook vergeleek men op een van de schuilterreinen het effect van
de camouflage met dat van een toestel in het oorspronkelijke proefschema
van “camouflage-groen” en “licht grijs”. [7]

Glenn Martin M597 gefotografeerd van
de andere zijde tijdens het bezoek aan Darwin op 16 mei 1941. De licht
grijze onderzijde is nu duidelijk zichtbaar, evenals de “donkergroene”
baan op de rechtervleugel (die overigens niet geheel volgens het
standaard schema is aangebracht) (AWM,
via G.J. Casius).
Medio juli 1940 werden de
camouflageproeven afgesloten. Het nieuwe schema met twee kleuren
donkergroen bleek een verbetering en werd per 1 augustus 1940, in een iets
gewijzigde vorm, het standaard schema voor de Glenn Martin vloot. De
strook plaatwerk op de vleugelonderzijde naast de vleugeltips werd nu
licht grijs, maar voor het overige werd het camouflageschema van de M591
gehandhaafd. Hoe de kleuren er precies uitzagen, komt hierna nog aan de
orde. [8] De werkwijze van de
spuitploeg van de TD was als volgt. Eerst spoot men in
“camouflage-groen” de gehele romp (rondom), de bovenzijde van de
vleugels inclusief de onderzijde van de vleugelvoorranden en de
vleugeltips, de onder- en bovenzijde van motorkappen en motorgondels en de
bovenzijde van de horizontale staartvlakken (inclusief de onderzijde van
de voorrandjes). Vervolgens werd op alle nog niet gespoten delen van de
onderzijde het “licht grijs” gespoten en daarna werd op de bovenzijde,
onderzijden van vleugelvoorranden etc. het “donkergroen” aangebracht.
Dit laatste spuitwerk gebeurde uit de losse hand, waardoor er in de
camouflagepatronen nogal wat variatie ontstond. Er werd over de afgeplakte
en afgedekte nationale kentekens, wingwalks (zwart) en registraties (in
wit op de romp en het cijferdeel van de registratie in zwart op de
vleugelvoorranden) heen gespoten. Het cockpit-interieur bleef
aluminiumkleurig en de propellernaven en –bladen bleven aanvankelijk
“natural metal”. Vanaf medio 1941 spoot de TD echter de bladen na
onderhoud of reparatie volledig “donkergroen”. Hoe het standaard
camouflagepatroon er uit zag, is aangegeven op de schetstekeningen met de
zijaanzichten en het boven- en onderaanzicht van de Glenn Martin WH-3(A)
in de bijlagen. [9]

Glenn Martins WH-3A M591, M597 en M586
tijdens het bezoek aan Darwin op 16-17 mei 1941. Op deze
niet al te beste foto is te zien dat op toestel M591 niet alleen de
onderzijde van de vleugeltips, maar ook een belendende strook plaatwerk
over de breedte van de vleugel in de twee kleuren donkergroen is gespoten
(AWM, via G.J. Casius).
De standaardcamouflage van 1
augustus 1940
De TD te Andir ging tot eind juli 1940 door met
het volledig “camouflage-groen” spuiten van de Glenn Martins van de Ie
Vliegtuiggroep (Vl.G.I) te Andir (afdelingen 1-Vl.G.I, 2-Vl.G.I en de
Glenn Martin Opleiding) en van de IIIe Vliegtuiggroep (Vl.G.III) te
Tjililitan (afdelingen 1-Vl.G.III en 2-Vl.G.III). Per 1 augustus 1940 werd
voor wat betreft de al ingedeelde toestellen overgeschakeld op spuiten in
het nieuwe standaard schema van “camouflage-groen”, “donkergroen”
en “licht grijs”. [10] De Glenn Martins te Andir en Tjililitan waren
omstreeks medio augustus 1940 alle gecamoufleerd, dat wil zeggen deels
volledig “camouflage-groen”, deels in het nieuwe standaardschema. De
beschildering van de “camouflage-groene” toestellen werd vervolgens
geleidelijk door de TD te Andir aangepast, een project dat in januari 1941
werd afgerond. [11]

Glenn MartinWH-2 M515 van afdeling
2-Vl.G.III gefotografeerd tijdens een oefening te Singkawang II (West-Borneo)
in september of oktober 1941. Hoewel door het geringe kleurcontrast
nauwelijks zichtbaar, voert ook dit toestel de standaardcamouflage. De
IIIe Vliegtuiggroep was de enige die voor de ondergeschikte afdelingen een
kleur als onderscheidingskenmerk hanteerde. Een witte streep aan
weerszijden van de romp was het kenmerk van de 2e Afdeling
(foto collectie auteur).
De vliegtuigen van de IIe
Vliegtuiggroep (Vl.G.II) te Malang werden naar Maospati (Madioen) gevlogen
voor het schilderwerk dat nog nodig was. De beschildering van de
bommenwerpers van de afdelingen 1-Vl.G.II en 2-Vl.G.II die nog niet het
nieuwe standaardschema hadden, werd aldaar aangepast in de periode tot en
met januari 1941. De M591 van 2-Vl.G.II bleef echter vliegen in het
hiervoor beschreven proefschema en negen toestellen van deze afdeling
behielden na de aanpassing de licht grijze romponderzijde en licht grijze
onderzijdes van motorgondels en motorkappen van het oorspronkelijke
proefschema. Ook in de oorlogsperiode was dat nog het geval. [12]
Reservetoestellen van de TD te Andir
(een aantal WH-1’s en WH-2’s en tien nieuwe WH-3A’s, de M612 tot en
met M621) kregen vanaf begin augustus 1940 deels het nieuwe standaard
schema, namelijk alleen het “camouflage-groen”, dus inclusief
“camouflage-groen” op die delen die “donkergroen” behoorden
te zijn. De onderzijde werd gespoten bij daadwerkelijke indeling en op dat
moment werden ook de “donkergroene” delen van de camouflage op het
“camouflage-groen” aangebracht. De nieuwe reservetoestellen werden
overigens wel in dit tijdelijke schema vanuit Andir ingevlogen en vlogen
dus met gele ondervleugels, waarop ook nog de oorspronkelijke rozetten (in
plaats van zwart gerande oranje driehoeken) waarmee de toestellen door de
fabriek waren afgeleverd. [13]
Het nieuwe per 1 augustus 1940 van
kracht geworden schildervoorschrift van de TD omvatte niet alleen de Glenn
Martin bommenwerpers maar ook de nieuwe Curtiss H-75A-7 Hawk
jachtvliegtuigen van de ML. De Hawks dienden een aan de Glenn Martin
camouflage ontleend camouflage schema te krijgen met
“camouflage-groen” en “donkergroen” op
de bovenzijde, op de onderzijde van de vleugelvoorranden en de vleugeltips
en op de gehele romp met uitzondering van de centersectie en de rompdelen
achter de druppelvormige “achteruitkijk ruiten”. De jagers werden te
Andir overgespoten in de tweede helft van augustus (het spuiten van de
Glenn Martins had prioriteit) en in de loop van september 1940, met een
laatste toestel in oktober 1940. De onderzijde van de toestellen bleef
“natural metal” en werd niet licht grijs gespoten. Voor de
jagers werd een licht grijze onderzijde niet noodzakelijk geacht en was de
camouflage uitsluitend bedoeld om de zichtbaarheid op de grond te
verminderen. Het eerste gecamoufleerde toestel was de C323, die echter
abusievelijk C322 werd tijdens het opnieuw beschilderen. Het laatste
toestel was de in oktober afgeleverde C334. Net als bij de Glenn Martins
werd over de afgeplakte en afgedekte nationale kentekens, wingwalks
(zwart), registraties (bij de Hawks alleen in zwart op de romp) en enkele
opschriften op het bagageluik aan de bakboordzijde van de romp heen
gespoten. Het cockpit interieur bleef aluminiumkleurig en de propellernaaf
en –bladen bleven “natural metal”. Pas medio 1941 ging de ML er toe
over om van alle types de propellerbladen na onderhoud of reparatie
volledig “donkergroen” te spuiten. Hoe het standaard camouflagepatroon
er uit zag, is aangegeven op de schetstekeningen met de zijaanzichten en
het boven- en onderaanzicht van de Hawk in de bijlagen. [14]

“Line-up” van de elf 1e
lijn Hawks van de 1e Jachtafdeeling
(Jag.1) te Andir op 1 oktober 1940. De afdeling werd op die dag
operationeel gemeld aan de commandant ML. Op het voorste toestel is door
lichtval en vervuiling het camouflagepatroon op de rompneus
nauwelijks te onderscheiden. De camouflagegrens op is op het tweede en
derde toestel in de rij echter goed te zien (officiële ML-foto, via G.J.
Casius).
Terwijl het camoufleren gaande was,
wijzigde de ML op 16 augustus 1940 het registratiesysteem. De registraties
van de Glenn Martins in de 600-serie werden M5100 enz. M stond hierbij
voor Martin, 5 voor (horizontale) bommenwerper en 100 voor de 100e
Glenn Martin bommenwerper. [15] Eind augustus 1940 werden vervolgens de
nationale kentekens aangepast, waarbij de zwart gerande oranje driehoeken
op de bovenvleugels en het zwart gerande oranje richtingsroer vervielen.
Tussen 1 september en 1 oktober 1940 werden deze op de al gecamoufleerde
toestellen in “camouflage-groen” overgespoten of met de hand (het
richtingsroer) overgeschilderd. Opgemerkt zij dat de driehoeken op de
bovenvleugels uitsluitend met “camouflage-groen” werden
overgespoten. Hierdoor wijzigde vooral het camouflagepatroon op de
linkervleugels van de al in twee kleuren donkergroen gespoten Glenn
Martins en Hawks. Er werd namelijk geen “donkergroen” toegepast om de
standaardpatronen te herstellen. Op de richtingsroeren werd een
onregelmatige rand in “donkergroen” geschilderd om de “outline” op
te breken, zoals is aangegeven op de illustraties van de rompzijkanten in
de bijlagen. Dit gebeurde ook op de Glenn Martins die nog geheel
“camouflage-groen” waren. [16]
Nieuwe types toegevoegd
Medio augustus 1940 voegde men
schilderschema’s aan het schildervoorschrift toe voor het Curtiss-Wright
CW-21B Interceptor jachtvliegtuig (op dat moment nog alle bij de fabriek
in de V.S.) en voor twee types in oorlogstijd als verkenner te mobiliseren
lesvliegtuigen, de Lockheed L-212 en de Koolhoven FK.51.
[17] De toestellen van
deze types kregen een camouflageschema gelijkend op dat van de Glenn
Martin en de Hawk, met een patroon van “camouflage-groen” en
“donkergroen” op de bovenzijde en de romp. De onderzijde werd
aluminiumkleurig gespoten (de CW-21B) of gelaten (de vleugels en
horizontale staartvlakken met hoogteroeren van de FK.51), dan wel
“natural metal” gelaten (de L-212). Er waren echter de nodige
onderlinge verschillen en verschillen met de schema’s van de Glenn
Martin en de Hawk. Zo waren bijvoorbeeld, behalve bij de FK.51
tweedekkers, de romponderzijden nu niet meer in de twee kleuren
donkergroen gecamoufleerd. De L-212’s hadden als enige nog
vleugelvoorranden en vleugeltips die ook aan de onderzijde
“donkergroen” en “camouflage-groen” waren. De onderzijden van
motorgondels en motorkappen waren echter bij dit type wel “natural metal”.
De eerste lesvliegtuigen (zowel FK.51’s
als L-212’s) werden in de tweede helft van augustus 1940 overgespoten en
deze toestellen hadden dus nog de oude stijl nationale kentekens. De CW-21B’s
werden (vanaf eind september 1940) bij de fabriek in de V.S.
in camouflagekleuren gespoten voor de aflevering. Deze toestellen
kregen direct de nieuwe stijl kentekens. [18]
In 1941 volgden nog de Curtiss-Wright
CW-22 tactische verkenner, het Brewster B-339 jachtvliegtuig en het
Lockheed L-18 transportvliegtuig. De toestellen van deze drie types werden
bij de fabriek in de V.S. in camouflagekleuren gespoten. De vliegtuigen
kregen eveneens een standaardschema van “camouflage-groen” en
“donkergroen” op de bovenzijde en rompzijkanten, waartoe bij DuPont in
de V.S. bestelde verf rechtstreeks werd afgeleverd bij de genoemde
vliegtuigfabrieken in de V.S. De onderzijde, inclusief de romponderzijde,
werd net als bij de CW-21B’s aluminiumkleurig gespoten. Dit was een
anti-corrosie maatregel. De nieuwe toestellen uit de V.S. (inclusief de CW-21B’s)
hadden conform specificaties van de TD alle propellers met
“donkergroene” bladen, behalve de B-339’s. Brewster leverde de
toestellen met propellers waarvan de bladen weliswaar “donkergroen”
waren, maar ook een grote gele tip hadden. De ML liet het maar zo, maar
spoot de bladen van reserve propellers voor uitreiking en montage volledig
“donkergroen”. [19]

Curtiss-Wright CW-22 Falcon tactische
verkenner CF464, gefotografeerd op het fabrieksvliegveld te St. Louis (Missouri)
in de V.S. in februari 1941 (collectie auteur).
Tweede lijn toestellen, zoals
mobilisabele sportvliegtuigen, bleven ook in 1941 en gedurende de
oorlogsperiode volledig “camouflage-groen”. Lesvliegtuigen in de
categorie “onbewapend” en wel te bewapenen lesvliegtuigen die niet
meer voor mobilisatie in aanmerking kwamen, behielden hun oorspronkelijke
beschildering. Pas na het uitbreken van de oorlog in de Pacific kreeg een
groot aantal Ryan STM trainers van de Vlieg- en Waarnemersschool te
Kalidjati alsnog een standaard camouflage van “camouflage-groen” en
“donkergroen” op de bovenzijde en de gehele romp, alsmede op de
beplating rond de wielen en op de voorzijde van de beplating rond de
wielpoten. De onderzijde van deze toestellen bleef aluminiumkleurig. [20]
De kleuren van de
standaardcamouflage
Over de juiste kleuren van de ML-camouflage is de laatste jaren het nodige
te doen geweest, waarbij vooral de hardnekkigheid opvalt waarmee sommige
auteurs verdedigen dat de ML-kleuren, USAAC-kleuren waaronder “Dark
Olive Drab” (DOD) geweest moeten zijn. Ik heb hier echter in 1975, toen
de herinneringen van veteranen nog redelijk goed waren, onderzoek naar
gedaan. Dit was in een periode waarin in West-Europa de vliegtuigen van de
United States Air Force Europe (USAFE) rondvlogen in de zogenaamde Vietnam
tactical camouflage, oorspronkelijk beschreven in Technical Order
1-1-4 uit 1965 van de Amerikaanse Luchtmacht . (De benaming van de groene
kleuren van het Vietnam tactical camouflage schema verschilt per
publicatie. In dit artikel is de donkerste kleur groen van het Vietnam
schema aangeduid als “Dark Green FS 34079” en de lichtere kleur groen
als “Medium Green FS 34102”). Deze camouflage viel een tweetal
veteranen waar ik in 1966-67 contact mee had op, omdat de twee kleuren
groen van de camouflage naar hun mening
zeer sterk leken op die van de ML-camouflage uit 1940-42. Dat wil zeggen
“camouflage-groen” zou zeer sterk lijken op “Medium Green FS
34102” en “donkergroen”
op “Dark Green FS 34079”. Dit gegeven gebruikte ik (als hypothese) in
1975 voor een onderzoekje onder in totaal negentien oud-vliegers en
oud-monteurs van de ML/KNIL naar de juiste kleuren. Deze veteranen heb ik
na een paar standaard vragen, voornamelijk om te checken of alle ML types
voor wat betreft de donkergroen tinten dezelfde camouflagekleuren voerden
(hetgeen allen bevestigden), het volgende laten zien. [21]
A.
De ingeplakte paint samples van (Dark) Olive Drab 41, Medium Green 42 en
Neutral Grey 43 in United States
Camouflage of WW II van Scale Productions (Jay Frank Dial, AAHS, 13
Oct 1964). Achteraf bleken deze paint samples echter te licht van tint.
B. Colour standards of the Ministry of Aircraft Production, paint samples
van: Dark Green, Grey Green, Light Green en (Extra) Dark Sea Grey.
C.
Panel van een Convair F-102 Delta Dagger (afkomstig van een pas
beschilderde kist waarvan het luikje beschadigd was geraakt) met daarop
Medium Green FS 34102 en Dark Green FS 34079 van de Vietnam tactical
camouflage, plus een sample Light Grey FS 36622 van de onderzijde van een
F-102.
D.
Stukje plaat van een Boeing B-17F ontvangen van de Bergingsdienst KLu met
daarop verweerd DOD (had plm. twee jaar buitenlucht blootstelling gehad).
Mijn centrale vraag was: waar leken de
ML-kleuren, wanneer nieuw, het meest op?
De reacties waren soortgelijk en zijn
hierna beknopt samengevat.
Ad
A (Dark) Olive Drab 41 en Medium Green 42 komen in de buurt, maar te
licht, contrast tussen de kleuren klopt wel, de ML-kleuren lagen qua tint
dicht bij elkaar. Het donkergroen van de ML was erg donker en leek soms
bijna zwart. Het Medium Green 42 (zoals in het boekje)
komt in de buurt van het “camouflage-groen” van de ML. Volgens
de Glenn Martin veteranen was het Neutral Grey 43 veel te donker v.w.b. de
Glenn Martin onderzijde, die was heel licht grijs. Volgens een drietal
oud-monteurs was het “camouflage-groen” behalve een stuk donkerder
ietsje “groener” dan de kleur (Dark) Olive Drab 41 uit het boekje, dus
een beetje helderder van tint dan DOD zoals afgebeeld.
Ad
B Iedereen was het er
over eens dat de kleuren geen van alle in de buurt van de ML- kleuren
komen; behalve Sea Grey vond men het typisch verven voor het Europese
theater, niet geschikt voor de tropen.
Ad
C Iedereen vond zonder
uitzondering dat de Vietnam tactical camouflage colours “very, very
close” waren. De twee kleuren groen waren donker genoeg, groen genoeg en
het contrast was goed.
Ad
C Werd onmiddellijk herkend als verweerd (“verbruind”) DOD zoals
na de oorlog ook op North American B-25’s en de Curtiss P-40’s van de
ML te zien. Iedereen was het er over eens dat de twee kleuren donkergroen
van de ML niet op die manier verweerden (en bruinig werden), maar groen
bleven en alleen lichter werden door de invloed van zonlicht.
[22]

Brewster B-339C jachtvliegtuig B398
gefotografeerd te Semplak in juli 1941 tijdens de conversie op dit type
toestel van afdeling 1-Vl.G.V. De in aluminiumkleur gespoten onderzijde
is goed zichtbaar (collectie
auteur).
Auteur Roger A. Freeman, een
deskundige op het gebied van camouflage en beschilderingen van Amerikaanse
vliegtuigen, legde me in 1975 uit dat de lichtere van de twee donkergroene
ML-verven (nog afgezien van het niet bruinig verkleuren) geen DOD geweest
kan zijn, omdat in 1941 voor wat betreft DOD nog geen productieverf voor
exportorders beschikbaar was. Dit door toen nog grote tekorten aan deze
verf. De ML begon met camoufleren voor er überhaupt productie DOD
bestond. De eerste productie DOD werd pas in november-december 1940
aangebracht door maar een paar fabrieken en op slechts enkele door de
USAAC geselecteerde types jagers en medium-bombers (o.a. de P-40 en
de B-25). De tekorten waren aanvankelijk zo groot dat pas omstreeks
oktober 1941 de eerste nieuw gebouwde B-17’s van (Dark) Olive Drab 41
werden voorzien. Bedacht moet ook worden dat (Dark) Olive Drab 41, Medium
Green 42 en Neutral Grey 43 aanvankelijk alleen als “lacquers” (en
“dope” voor de stuurvlakken bekleed met vliegtuiglinnen) werden
geproduceerd, dat wil zeggen verven (en dope) op cellulose basis, terwijl
de ML-verven voor de metalen delen van de vliegtuigen traditionele
“enamels” waren. “Lacquers” en “enamels”
kunnen niet door elkaar worden gebruikt. [23]
Omstreeks 1982 kreeg Gerard J. Casius
(thans verbonden aan het Nederlands Instituut Militaire Historie) een paar
stukjes metaal afkomstig van een in een Australische woestijn gevonden
vleugel van een Brewster jager in zijn bezit. Deze stukjes toonden de nog
in redelijke staat verkerende oorspronkelijke ML-verven “donkergroen”
en “camouflage-groen”. De kleuren werden destijds geïdentificeerd
door auteur/modelbouwer Jim Maas (een deskundige v.w.b.
Brewster-vliegtuigen) en wel als Dark Olive Drab 41 (FS 34088) en Medium
Green 42 (FS 34092). Begin 2005 heeft Gerard de kleuren nog eens laten
vergelijken met FS 34079 en FS 34102, waarop hij concludeerde dat de
kleuren ook heel goed overeen komen met deze standaard kleuren. [24] Dark
Olive Drab 41 en Medium Green 42 lijken (wanneer nieuw) sterk op de latere
hiervoor genoemde twee kleuren donkergroen uit de Vietnam tijd; het
verschil is erg klein.
Begin 1988 werd nabij Miri op Borneo
een vleugel van een in 1941 neergestorte Glenn Martin WH-3 (de M551)
geborgen en naar het Militaire Luchtvaart Museum te Soesterberg
overgebracht. In februari 1988 kreeg ik de kans om schoongemaakte stukjes
verf van de vleugel te identificeren. Ook die kwamen heel dicht bij de
drie hiervoor genoemde Vietnam tactical camouflage kleuren, waarbij moet
worden opgemerkt dat vooral het “camouflage-groen” voor een groot deel
sterk was verweerd. Deze verf werd volgens veteranen vrij snel lichter en
dan ook wat groener, dat wil zeggen helderder van tint. Dit effect is op
de Glenn Martin vleugel goed te zien. [25]
Samenvattend kunnen de
ML-camouflagekleuren voor wat betreft de “best match” met meer moderne
kleuren als volgt worden geïdentificeerd.
ML-benaming
Federal Standard 595 No
Camouflage-groen
34102
Donkergroen
34079
Licht grijs
36622
Conclusies
Concluderend kan worden vastgesteld
dat de camouflageverven en dopes van de ML uit de periode 1940-42 voor wat
betreft de kleuren unieke door het KNIL en de ML zelf ontwikkelde
vliegtuigverven en dopes waren. De kleuren kwamen, wanneer nieuw, zeer
sterk overeen met de latere FS 34079 (Dark Green), FS 34102 (Medium Green)
en FS 36622 (Light Gray) van de USAF. Niet echt verwonderlijk, want de
USAF ontwikkelde de kleuren net als het KNIL en de ML door middel van
veldexperimenten in een tropenomgeving. De twee donkergroene kleuren van
de ML werden door de invloed van de zon lichter (vooral het “camouflage-groen”)
maar bleven groen van tint en “verbruinden” niet. Rond 1 mei 1940
begon de daadwerkelijke toepassing van de kleuren op ML-vliegtuigen;
aanvankelijk alleen “overall” “camouflage-groen” en, na enkele
experimenten, vanaf 1 augustus 1940 “camouflage-groen” en
“donkergroen” in een standaardpatroon op de romp en bovenzijde,
en “licht grijs”, aluminiumkleur of
“natural metal” op de onderzijde, afhankelijk van het type. De
kleuren bleven in gebruik tot de capitulatie van het KNIL in maart 1942.
Noten
[1] Interviews met ir. C.W.A. Oyens en
A.B. Wolff.
[2] Interviews met ir. C.W.A. Oyens,
J.C. Benschop, K.B.A. Karssen, W.H. Goudswaard, P.M. van der Spoel en A.H.
Erdkamp. De eerder gebruikte verven en dopes “khaki” en
“camouflage-bruin” waren half-mat (semi-gloss), “camouflage-groen”
was mat.
[3] Correspondentie auteur met A.D.M.
Moorrees (1986) en A.A.M. van Rest (1982-83). 1-Vl.G.II staat voor 1e
afdeling der IIe Vliegtuiggroep. Voor de duidelijkheid zijn de Glenn
Martin afdelingen in dit artikel aangeduid met de afkortingen ingevoerd in
augustus 1940.
[4] Interviews met ir. C.W.A. Oyens,
J.C. Benschop, A.B. Wolff, W. Boxman (was bij Jag.1, later aangeduid als
1-Vl.G.IV, de afdeling uitgerust met de Hawk jagers, camouflage-officier
en o.a. belast met het toezicht op de uitvoering van het Camouflageplan te
Maospati en bijbehorende schuilterreinen zoals Ngoro).
[5] Interviews met D.T. de Bont, F.
van den Broek, J. van Kruiselbergen en ir. C.W.A. Oyens (bevestigde dat de
licht grijze verf al in 1939 in de V.S. werd besteld).
[6] Interviews met ir. C.W.A. Oyens en
P.A. Hoijer (werd in september 1940 beëdigd als officier voor de M582,
foto van de beëdiging waarop de M582 in het proefschema), correspondentie
auteur met C.W. Hundersmarck (1984, destijds als jong monteur betrokken
bij de overname van de nieuwe WH-3A’s) en A.D.M. Moorrees (1986,
destijds als vlieger betrokken bij de overname van de nieuwe WH-3A’s);
verplaatsingorders Bw.3 (rooster met vliegtuignummers van WH-3A’s over
te vliegen naar Malang).
[7] Ibidem; gedateerde foto M591 in
het proefschema.
[8] Interviews met A.B. Wolff (werd 15
juli 1940 te Andir geplaatst en maakte daar nog net het einde van de
camouflageproefnemingen mee), ir. C.W.A. Oyens en J.C. Benschop; foto M598
(met de M599 als eerste in het standaardschema gespoten).
[9] Naar een beschrijving door K.B.A.
Karssen.
[10] Interviews met ir. C.W.A. Oyens,
J.C. Benschop, A.B. Wolff (maakte in de periode 15 juli-15 aug. 1940 het
volledig “camouflage-groen” spuiten van de Fokker D.21 mee), K.B.A.
Karssen, W.H. Goudswaard, P.M. van der Spoel en A.H. Erdkamp.
[11] Interview met ir. C.W.A. Oyens
(bevestigde dat met het spuiten van de Hawks en de lesvliegtuigen werd
begonnen rond medio augustus 1940, toen de eerste fase van het camoufleren
van de Glenn Martins werd afgerond).
[12] Interviews met M.F. Noorman van
der Dussen en J. Hofmyster; Crown copyright photo’s van Glenn Martins te
Singapore, juli 1941 en 9 december 1941, laten diverse toestellen met nog
de licht grijze onderzijde zien.
[13] Interviews met J. van
Kruiselbergen en D.T. de Bont (vlogen beiden toestellen in de interim
beschildering ten behoeve van invliegen en de opleiding van
luchtvaart-radiotelegrafisten).
[14] Interviews met ir. C.W.A. Oyens
en W. Boxman; zakboekje W.M. van der Poel (via G.J. Casius) v.w.b. de
aflevering van de C334. Het schildervoorschrift zelf is niet bewaard
gebleven.
[15] Order van Blijvende Aard van de
Commandant ML d.d. 16 augustus 1940 (Bundel OBA’s, archief NIMH).
[16] Interviews met A.B. Wolff, J.C.
Benschop en P.M. van der Spoel.
[17] Interviews met ir. C.W.A. Oyens
en J.C. Benschop.
[18] Gedateerde foto’s van genoemde
drie types.
[19] Gedateerde fabrieksfoto’s van
genoemde types; interview met J.C. Benschop en gedateerde foto B-3103 .
[20] Interviews met C.W. Hundersmarck
(in de oorlogsdagen de monteur van een viertal gemobiliseerde
sportvliegtuigen) en diverse toenmalige leerling-vliegers van de 1 juli
1941 vliegopleiding.
[21] Interviews gehouden door auteur
april-mei 1975; volgens K.B.A. Karssen, P.M. van der Spoel en G.H.
Goudswaard werd in 1940-42 uitsluitend nog verf van DuPont uit de V.S.
gebruikt.
[22] Gerrit J. Zwanenburg,
identificatiespecialist van de Bergingsdienst KLu, vertelde me in 1975 dat
nieuw DOD uit 1941-42 donkerder was dan de kleur in het boekje van Frank
Dial. Hij liet me een stukje Dark Olive Drab zien van een USAAF kist die
vrijwel nieuw was toen hij in Nederland neerkwam en dat niet was verweerd.
Deze kleur (later FS 34088) leek sterk op het Medium Green
FS 34102 uit de Vietnam tijd. (DOD verweerde echter snel en
kreeg in tegenstelling tot de latere Vietnam-kleur binnen een jaar,
sneller in de tropen, a
“brownish hue”). Ik heb hier vervolgens over gecorrespondeerd met
auteur Roger A. Freeman, die wat Gerrit liet zien bevestigde.
[23] Correspondentie auteur met Roger
A. Freeman (1975) over de origine en ontwikkeling van Dark Oive Drab.
[24] E-mail G.J. Casius aan P.C. Boer
d.d. 24 januari 2005.
[25] Met dank aan G.J. Zwanenburg.
Bijlagen
Opmerking vooraf van de auteur: de
schetstekeningen zijn (indirect) gebaseerd op oorspronkelijke
“calques” met camouflageschema’s van de Glenn Martin WH-3(A) (A.A.
Noordhoorn, via ir. C.W.A. Oyens) en de Curtiss H-75A-7 Hawk (ir. C.W.A.
Oyens, zeer waarschijnlijk “calques” van de oorspronkelijke tekeningen
uit juli 1940). Opgemerkt zij dat de “calques” in slechte staat waren,
namelijk sterk verkleurd, zeer broos en opgevouwen met versleten naden. Ik
heb ze in de zomer van 1966 deels overgetrokken, deels zo nauwkeurig
mogelijk over geschetst. Deze schetsen heb ik eind 2008-begin 2009
overgetekend op zij-, boven- en onderaanzichten gemaakt door Bert van den
Broeke.







|