Dr. S.J. de Groot:

DE FRANSE AANVAL OP DE SMYRNA-VLOOT BIJ LAGOS OP 27 JUNI 1693. 

Startpagina Mars et Historia

Het journaal van de bevelhebber van het Engels-Nederlandseskader onder 
admiraal George Rooke.


Portret van Philips van der Goes,vice-admiraal
bij de admiraliteit van de Maze.
(Olieverf Stedelijk Museum Het Prinsenhof, Delft,
bruikleen van de Stichting Familie archief van der Goes van Naters)

Deze bijdrage behandelt een gevoelige nederlaag van de Brits-Nederlandse vloot van de koning-stadhouder Willem III tegen de Franse vloot van koning Lodewijk XIV op 27 juni 1693 in de Baai van Lagos voor de Portugese kust. Een eskader, onder de Britse admiraal George Rooke en de schouten-bij-nacht de Nederlander Philip van der Goes en de Brit Edward Hopson, met een 140-tal koopvaardijschepen liep in een kundig door de Franse admiraal de Tourville opgezette val. Tevens is een eigentijds pamflet bijgevoegd van het gebeuren zoals weer gegeven door de Britse admiraal Rooke. Dit 'Journaal van den Heer Ridder George Roke' werd in 1693 in het Nederlands gepubliceerd. Een plaats van uitgifte ontbreekt.


Voorgeschiedenis
Op 15 november 1688 werd een landing uitgevoerd bij Torbay aan de zuidkust van Engeland. Een 40 000 man sterke troepenmacht van het Staatse leger ging aan land. De gehele operatie stond onder aanvoering van de stadhouder prins Willem III (1650-1702). Onder deze troepen bevonden zich alle Engelse en Schotse regimenten in dienst van de Republiek. Naar buiten toe werd de landing uitgevoerd om Engeland te behouden voor het protestantisme. De schoonvader van de prins, koning James II (1633-1688), gaf de katholieke kerk teveel macht. Willem III voelde zich gerechtigd zo te handelen daar zijn vrouw prinses Mary (1662-1694), de dochter van James II was. Daarenboven was hij zelf half Engels via zijn moeder, prinses Mary, die een dochter was van koning Charles I (1600-1649). De dieper liggende beweegreden was echter dat de prins geen herhaling wilde van de invallen van het Franse leger onder bevel van koning Lodewijk XIV (1638-1715) zoals in het rampjaar 1672. Hij had een krachtige bondgenoot nodig en het was onwaarschijnlijk dat de katholieke Engelse koning hem zou steunen tegen de Franse koning Lodewijk XIV.
Het is niet duidelijk of Willem III werkelijk bij Torbay wilde landen. Vermoedelijk was de oorzaak de noordelijke wind die de vloot verhinderde om over te varen naar de kust van Yorkshire. Het was een enorm risico dat Willem III nam om zo laat in het jaar (november) met een invasievloot uit te varen. Een vloot bestaande uit 463 schepen, het meest kleine troepentransportschepen, met daarop 40 000 man en beveiligd door 49 oorlogsschepen. De vloot stond onder bevel van admiraal Arthur Herbert (1647-1716). Het was echter tevens deze noordelijke wind, die verhinderde dat de Engelse vloot uit de Theemsmonding kon varen en de invasievloot van Willem III door het Kanaal werd geblazen. Eenmaal buiten het Kanaal draaide de wind naar het zuidwesten. Hierdoor kon de Engelse vloot hem niet meer achtervolgen en werd de invasievloot Torbay binnen geblazen. Zonder enige weerstand gingen de troepen aan land. Koning James II, die nog steeds door de meerderheid van het Britse leger en vloot werd ondersteund, vluchtte naar Frankrijk en verloor veel aanzien. In april 1689 werden Willem III en prinses Mary gekroond tot koning en koningin. De "Glorious Revolution" was een feit. Het Britse parlement en het volk steunde Willem III maar ten dele. Dit zou altijd zo blijven. De troepen waarop zijn macht stoelde moesten weer naar de Republiek worden teruggevoerd. De Fransen konden gebruik maken van de afwezigheid van deze troepen en ons land binnen vallen. Om de Britten tegemoet te komen besloot Willem III onder andere de Gecombineerde Vloot altijd onder een Engelse bevelhebber te stellen en de sterkte te bepalen op 5/8 Britse en 3/8 Hollandse schepen. Willem III was er zich volledig van bewust dat Frankrijk aangevallen moest worden, zowel aan de Atlantische kusten (met name de vlootbasis Brest) als vanuit de westelijke Middellandse zee (vlootbasis Toulon). Hij zette feitelijk de politiek van de Republiek voort die regelmatig een eskader bezat in de Middellandse Zee.
Frankrijk had zijn vloot onder de minister van Marine Jean-Baptiste Colbert sterk uitgebreid. Het waren wel voornamelijk zware schepen die de Fransen hadden gebouwd. Zeer geschikt voor machtsvertoon en de strijd op de oceanen, maar weinig geschikt voor de strijd in het Kanaal en de Noordzee. De Britse vloot was vooral gebouwd om de Nederlandse vloot te bestrijden en minder geschikt voor de strijd op de Atlantische Oceaan. De Nederlandse vloot was nog zeer krachtig, maar het tekort aan gelden om de vloot op peil te houden liet zich steeds meer gevoelen. De Fransen landden troepen op 1 mei 1689 in Bantry Bay in de zuidwesthoek van Ierland een week voor de oorlog werd verklaard. Het was een goede zet om James II weer op de troon te helpen. Ierland, met uitzondering van Ulster was tegen de protestantse koning Willem III. Mogelijk zouden na een overwinning in het noorden van Ierland ook Schotse opstandelingen zich bij de strijd tegen Willem III hebben aangesloten. De Engelse vloot was nauwelijks opgewassen tegen de sterkere Franse invasievloot. Het leger van James II, geruggensteund door Franse troepen, konden pas op 1 juli 1690 bij de Boyne definitief worden verslagen.

De Slag bij Beachy Head (Bevezier) 1690
Het eerste grote treffen van de Franse vloot met de gecombineerde Brits-Nederlandse vloot vond plaats op 30 juni 1690 bij Beachy Head (Bevezier). Het werd een nederlaag voor de Brits-Nederlandse vloot onder bevel van admiraal Arthur Herbert, First Earl of Torrington (de admiraal die Willem III naar Torbay bracht). De Fransen onder bevel van Admiraal Anne-Hilarion de Contentin, Comte de Tourville (1642-1701) waren ondanks hun moedig optreden te voorzichtig. De voorhoede werd gevormd door de Nederlandse schepen onder bevel van luitenant-admiraal Cornelis Evertsen de Jongere (1642-1706). Evertsen viel op typisch Nederlandse manier direct krachtig aan, maar werd door de Britse bondgenoten tijdens het gevecht in de steek gelaten. Vier Nederlandse schepen gingen verloren. De schouten-bij-nacht Jan van Brakel (1638-1690) en Jan Jansz Dick (?- 1690) sneuvelden.

De Slag bij Barfleur-La Hougue 1692
Het volgende treffen op zee was de dubbele zeeslag bij Barfleur-La Hougue van 19-23 mei 1692. De Brits-Nederlandse vloot stond onder bevel van admiraal Edward Russell, Earl of Oxford (1653-1727) De Nederlandse bevelhebber was luitenant-admiraal Philips van Almonde (1644-1711). Hij had het bevel over de voorhoede. Het voordeel aan schepen lag nu aan Brits-Nederlandse zijde (99 linieschepen tegenover 44 Franse). De Franse vloot stond onder bevel van De Tourville. De uitkomst was een overwinning voor de Gecombineerde Vloot. Maar De Tourville weerde zich danig en ondanks dat het vlaggenschip Soleil Royal met 14 andere linieschepen verloren ging, bevorderde Lodewijk XIV hem tot Maréchal de France.

De aanval op de Smyrna-vloot in de Baai van Lagos 1693
De koning van Spanje, Carlos II (1661-1700) had zich in 1689 verplicht met Engeland en Nederland in een verbond ter ondersteuning tegen Frankrijk. Op 31 oktober 1692 was er in Den Haag een geheim verdrag gesloten waarbij Engeland en Nederland zich verbonden een eskader te leveren om dienst te doen in de Middellandse Zee. Dit eskader zou bestaan uit 16 schepen met minstens 60 stukken geschut en 4 branders. De Spanjaarden zouden een gelijke vloot in zee brengen en daarboven nog 25 galleien en kleinere vaartuigen. Tot verbazing van velen slaagden de Spanjaarden erin een vloot uit te rusten in het begin van 1693 bestaande uit een admiraalschip (96) en 13 schepen met 70, 60 en 50 stukken. Daarnaast 2 fregatten, 1 patache (op een brik lijkend scheepstype gebruikt om havenmonden mee te bewaken), 25 galleien en 3 branders. Nederland besloot direct 4 schepen en twee branders uit te rusten voor de Middellandse zee en uit de wintervloot (opgelegde schepen) 4 schepen gereed te laten maken. De Nederlandse schepen werden onder bevel gesteld van de schout-bij-nacht van de Maze, Philips Andriesz van der Goes (1651-1707). Deze moest zich stellen onder het bevel van de Britse vice-admiraal Sir George Rooke (1650-1708. Deze had 15 oorlogsschepen en een aantal kleinere schepen onder zijn bevel. (Zie Tabel). Rooke had als schout-bij-nacht Edward Hopson (?-1728). De 8 Nederlandse schepen konden nadat zij gereed waren niet direct naar Portugal en de Middellandse Zee vertrekken. Reden was dat de Britse schepen nog niet klaar waren voor de expeditie. Schout-bij-nacht van der Goes voer pas begin januari 1693 uit naar Engeland. Eenmaal daar aangekomen wierpen de Britten het bezwaar op dat niet genoeg inlichtingen waren verkregen over de sterkte van de Franse Middellandse zee vloot in Toulon. Dit zou problemen kunnen opleveren bij het binnen varen door de Straat van Gibraltar. Ook zouden de Fransen de Spanjaarden kunnen beletten hun vloot te verenigen met het Brits-Nederlands eskader, waardoor deze laatste te zwak waren om tegen de Fransen te kunnen vechten. Willem III deelde de Britse bezwaren niet om het uitlopen van het eskader te vertragen, maar greep niet in. Ook de handel drong er op aan het vertrek van het eskader te vertragen. Er lagen in Engeland een 400-tal Britse, Nederlandse, Deense, Zweedse en Hamburgse koopvaardijschepen gereed in de Baai van St. Hellens (Isle of Wight) om uit te varen naar de Middellandse Zee (de Smyrna vloot) en naar West-Indië. Besloten werd de Smyrna vloot en het eskader van Rooke bestemd voor de Middellandse zee te begeleiden door de Gecombineerde Vloot. Deze zou op het traject Baai van St, Hellens - Brest - tot een 150 mijl zuidwestelijk van Ouessant, als een extra konvooibescherming optreden. Dit om een mogelijke aanval van het gros van de Franse vloot vanuit de basis Brest te kunnen afslaan. De Britse vloot werd nu geleid door een driemanschap van admiralen. Het waren de admiraals Henry Killigrew (?-1712), Sir Ralph Delavall (1642-1707) en Sir Cloudesley Shovell (1659-1707). Van Almonde, als Nederlandse opperbevelhebber, stemde in met het driemanschap. Van Almonde drong aan op een zo spoedig mogelijk thuisvaart naar Engelse havens van de vloot wegens tekorten aan voedsel en water op de Gecombineerde Vloot. De vloot voer uit op 3 juni en na 3 dagen was men ter hoogte van Ouessant. De Gecombineerde Vloot voer op 6 juni huiswaarts. De Smyrna vloot en de overige koopvaarders, onder bescherming van Rooke, vervolgden de weg naar het zuiden. Regelmatig verlieten koopvaarders voor andere bestemmingen het konvooi. Rooke voer een 40-50 mijl uit de kust naar het zuiden.
De Franse beschikten, dankzij hun netwerk van Britse uitgewekenen en in Engeland achtergebleven aanhangers van James II, over een volledig inzicht over het uitvaren en de sterkte van het begeleidende eskader onder Rooke. De Franse vloot, bestaande uit de eskaders te Brest en Toulon, had zich verenigd en lag bij Cadiz. Dit wisten de Verbondenen niet. Deze kwamen pas de 25e juni achter het gevaar dat er dreigde voor Rooke en zijn schepen. Vanuit Engeland werden twee fregatten gezonden om de Rede van Brest te verkennen om te zien of de Franse vloot nog daar aanwezig was. Groot was de schrik toen bleek dat er geen schip meer te bekennen viel. De Franse vloot was uitgevaren. De Gecombineerde vloot voer direct naar Torbay om verversingen in te nemen en op orders te wachten. Vrijwel tegelijkertijd kwamen de berichten bij de vloot binnen dat de Franse vloot in de Baai van Lagos lag. Het was te laat om nog te kunnen ingrijpen.
Doordat Rooke veruit de kust zeilde miste hij de schepen, die uitgezonden waren door de Brits-Nederlandse zaakgelastigde te Cadiz en door de Spaanse autoriteiten vanuit Lissabon om hem te waarschuwen voor de Franse vloot, die zuidelijk van Kaap St. Vincent op hem lagen te wachten. Op 26 juni besloot Rooke dichter onder de wal te gaan varen. Spoedig, nadat de wal was genaderd, verkenden de fregatten (de brandwacht) een Frans schip waarmee schoten werden gewisseld. Het gevecht werd spoedig afgebroken. Beide partijen wilden het contact met de vijand melden. Zeker de Britse schepen, daar een Frans eskader van 8-10 schepen werd verkend. Na ontvangst van de berichten besloot Rooke door te varen naar Cadiz, de noordelijke wind was gunstig en men had geen vermoeden dat de waargenomen vijandelijke eenheden zouden behoren tot de hoofdmacht van de Franse vloot uit Brest. Zo voer de Smyrna-vloot, bestaande uit 130-140 schepen, met het escorte rustig verder. Bij het aanbreken van de volgende dag (de 27e) waren de schepen ter hoogte van Villa Nova toen een vijandelijke vloot van 10 schepen in zicht kwamen. De Fransen weken echter terug maar een klein vaartuig, een brander, werd veroverd, terwijl een aantal eveneens kleine schepen in brand werd gestoken. De commandant van de veroverde Franse brander verklaarde dat zij behoorden tot een eskader van 15 oorlogsschepen onder bevel van de maarschalk de Tourville, die een 40-tal koopvaardijschepen met krijgsbehoeften en koopwaar naar Toulon escorteerden. Zij zouden zich in de Baai van Lagos voegen bij het eskader uit Toulon onder bevel van vice-admiraal Victor-Marie d'Estrées (1660-1737) om gezamenlijk door de Straat van Gibraltar te varen. De aanwezigheid van de Franse schepen in het zeegebied stond los van de mogelijke komst van het Brits-Nederlands eskader. Rooke besloot op grond van de nieuwe informatie weer door te varen in zuidelijke richting. Maar voor lang kon hij zijn tocht niet vervolgen. Omstreeks 10.00 uur werden 18 Franse linieschepen verkend. Spoedig gevolgd door 40 schepen aan de lij- en 16 aan de loefzijde. Rooke was in de door de Fransen opgezette val gelopen. De Franse vloot bestond uit in totaal 114 schepen, waaronder 70 linieschepen. Kortom Rooke stond voor een grote overmacht. De Tourville was volledig op de hoogte van de komst van de Smyrna-vloot en had de geconcentreerde Franse vloot naar de Baai van Lagos gevoerd waar zij van de schepen Nederlandse en Engelse vlaggen lieten waaien. Bij bezoek van vreemde schepen voerden naar uitgeweken Britse zeeofficieren het woord.
Wat stond Rooke te doen? Enkele van de zwaarste koopvaardijschepen (Straatvaarders) waren bewapend en konden het gevecht aangaan. Maar over de afloop hoefde men niet na te denken. Tegen 15.00 uur waren de Fransen tot 3-4 mijl genaderd. Schout-bij-nacht van der Goes zond nu een van zijn officieren naar Rooke om er op aan te dringen het gevecht te vermijden en de kostbare koopvaardijschepen niet in gevaar te brengen. Dat de oorlogsschepen de nederlaag zouden ondergaan had bij Van der Goes geen twijfel. Rooke zag dit in, maar besloot onder klein zeil zijn schepen in slagorde te brengen en de koopvaardijschepen opdracht te geven om te trachten weg te zeilen en in de nacht Faro, St Lucas of Cadiz te bereiken. Tegen 18.00 uur raakten de achterste schepen van Rooke in gevecht met de Fransen. Het waren de Nederlandse schepen Zeeland (kapitein Philip Schrijver) en het Wapen van Medemblik (kapitein Jan van der Poel). Wetende dat zij de ongelijke strijd zouden verliezen, besloten zij beide de wal op te zoeken en zo al vechtende de vijand van de koopvaardijschepen weg te lokken. Hierin slaagden zij volledig. Schrijver werd aangevallen door de l'Ardent (66, kapitein D'Ivry) bijgestaan door de le Victorieux (92, admiraal Gabaret). Van der Poel werd aangevallen door de Dauphin Royal (100, schout-bij-nacht [chef d'escadre] Panetié). Bij het gevecht voegden zich nog 6-7 vijandelijke schepen. Na ongeveer anderhalf uur was de ongelijke strijd gestreden. De vlag van de Nederlandse schepen werd gestreken. Toen kapitein Schrijver werd overgebracht naar het Franse admiraalsschip werd hij door De Tourville ontvangen bij de valreep en omhelsd. Hem werd gevraagd 'Of hij een duivel of een mens was?' Ook kapitein van der Poel werd met alle egards ontvangen. Door het optreden van Schrijver en Van der Poel wist Rooke met het Brits-Nederlands eskader de afstand tussen de Franse en eigen schepen te vergroten. Rooke werd geholpen door de nacht. In de morgen bleken nog maar 7 Franse oorlogsschepen in de nabijheid van het eskader te zijn. Deze, geen meerderheid meer vormende, gingen het gevecht niet meer aan en wenden de steven. De Fransen waren meer gelukkig met de jacht op de koopvaardijschepen. De Tourville liet zijn schepen in een halve cirkel langs de kust varen. Er werden, soms na een hard gevecht en vaak zonder enige weerstand 30-40 koopvaarders van de Smyrna-vloot veroverd of tot zinken gebracht. Een 100-tal koopvaardijschepen van deze vloot wist, door het juiste advies van schout-bij-nacht van der Goes aan admiraal Rooke en het heldhaftige optreden van de kapiteins Schrijver en Van der Poel, aan de vernietiging te ontsnappen.

Het lot van de koopvaarders
De Fransen zagen dat na de verovering van de Zeeland en het Wapen van Medemblik de kans gering was om nog het gevecht met het Brits-Nederlands eskader aan te gaan. Om deze reden werd nu intensief jacht gemaakt op de verspreid vluchtende ( sauve qui peut) koopvaardijschepen. Langs de Portugese kust, voor Cadiz en in de Straat van Gibraltar, werden deze schepen opgejaagd. Verschillende Nederlandse koopvaarders staken, toen ontsnappen niet meer mogelijk was, hun schepen in brand. Het Nederlandse bevoorradingsschip (behoefteschip) de Grote St. Paulus (Admiraliteit van Amsterdam, gezagvoerder Gerrit van Leeuwen) probeerde naar Cadiz uit te wijken en toen dit niet lukte, door aanwezigheid van Franse oorlogsschepen, de Straat van Gibraltar te doorzeilen. Ook nu werd hij de pas afgesneden door de Fransen. Van Leeuwen besloot zijn schip 3 mijl zuid van Cadiz op het te zetten om zo te verhinderen dat het rijk beladen schip in Franse handen viel. Vervolgens stak de schipper zijn schip in brand om de kostbare lading uit handen van de vijand te houden. Door de aanwezige 56 000 ponden buskruid lukte dit wonderwel en vloog het schip in de lucht. Van Leeuwen en zijn bemanning wisten in hun sloep veilig de wal te bereiken. Twee kapiteins vochten vele uren met hun tegenstander voor zij hun schip overgaven. Genoemd moeten worden Adriaan Gouwenaar en Pieter Brand. Gouwenaar vocht met zijn schip de Amsterdam gedurende twee uren tegen een Franse vier-en-zestiger (64 stukken geschut). De admiraliteit van Amsterdam beloonde de dappere Gouwenaar met een aanstelling tot commandeur.


Naspel
Rooke besloot met de rest van zijn eskader en de bij hem gebleven koopvaarders, in totaal ruim 60 schepen, naar Madeira te zeilen. Doorvaren naar Cadiz of de Straat van Gibraltar was hem te riskant. Bij Cadiz kon hij de vloot van De Tourville verwachten en in de Straat van Gibraltar d'Estrées. Deze laatste had een vloot onder zich die alleen al veel sterker was dan Rooke's eskader. Op Madeira voorzagen de schepen zich van water en andere levensbehoeften. Van Madeira keerde het eskader terug naar Engeland. Zij liepen op 8 augustus Kinsale (Ierland) binnen.
De Tourville had zich de kans laten ontnemen om een zeer grote overwinning te behalen, maar ook van de overige koopvaarders die uit de Baai van St. Hellens vertrokken, wisten de Fransen nog een 60-tal schepen te veroveren. Hierdoor was het economische verlies voor Willem III zo groot dat het verlies gelijk gesteld werd met de Grote Brand van London in 1666. De Fransen behaalden een prijsgeld van 30 miljoen livres, gelijk aan het Franse marine budget voor 1692. De Brits-Nederlandse samenwerking kreeg een aanzienlijke deuk. De Engelse secretaris van Willem III, William Blathwayt, beschreef dit: 'never saw the king so sensibly affected with any accident as this, which had all the worst consequences'. De Tourville vervolgde zijn koers in de richting van de Middellandse Zee. Hier aangekomen ondernam hij verschillende acties tegen Spaanse bezittingen. De Engelse en Hollandse handel kwam stil te liggen.
Het is opvallend, dat ondanks dat er koppen rolden, een logisch gevolg na een dergelijk gevoelig verlies, admiraal Rooke geheel buiten schot bleef. Hij zou later opklimmen tot Admiral of the Fleet.


Tabel 1: HET BRITS-NEDERLANDS ESCORTE VAN DE SMYRNA VLOOT, JUNI 1693
Bron: Laird Clowes (1898) II, 358. Kns= aantal kanons, va= vice-admiraal, sbn= schout-bij-nacht. Het aantal Nederlandse schepen door De Jonge (1839) 4(1) 411 genoemd is 5. De Admiraal Generaal (Van der Goes), Schiedam (Van Rechteren), Gelderland ( Stilte), Zeeland (Schrijver) en Wapen van Medemblik (Van der Poel).



Bronnen:
Anon., Journaal van den Heer Ridder George Roke, Die voor Admiraal, het Esquader gedestineerd na Cadix, en de Middelandse Zee, heeft gecommandeerd (z.p. 1693) 16 pp. [Knuttel 13931].
Campbell, J., Lives of the British Admirals: containing a new and accurate Naval History, from the earliest periods (London 1779) II: 379-387.
Backer Dirks, J.J., De Nederlandsche zeemacht in hare verschillende tijdperken geschetst ('s-Gravenhage 1890 (2)) I: 687-704
Jenkins, E.H., A history of the French navy from its beginnings to the present day (London 1973) 69-88.
Jonge, J.C. de, Geschiedenis van het Nederlandsche Zeewezen ('s-Gravenhage/Amsterdam 1839) 4(1): 400-456.
Laird Clowes, Wm., The Royal Navy A History From the Earliest Times to the Present (London 1898) II: 357-359.
Richer, M., Vies de Jean d'Estrées et de Victor-Marie d'Estrées son fils (Paris 1789) 136-142.
Rodger, N.A.M., The Command of the Ocean A Naval History of Britain, 1649-1815 (London 2004)136-15.
Schelven, A.L. van, Philips van Almonde Admiraal in de gecombineerde vloot 1644-1711 (Amsterdam 1947) 76-118.

Hieronder volgt een eigentijds document van het gebeuren uit 1693. Het is het Journaal Van den Heer Ridder George Roke, Die, voor Admiraal, het Esquader gedestineerd na Cadix, en de Middelandse Zee, heeft gecommandeerd.


































Copyright © Mars et Historia. Alle rechten voorbehouden.Herzien: 02 October 2008


TERUG