"I should like you always to bear in mind when you study military history or military events the importance of [logistics], because it is where most critics and many generals go wrong." 1
In deze bijdrage presenteer ik een verklaring hoe de uitvinding van (belegerings)geschut, de ontwikkeling van handvuurwapens en de enorme groei van de 17e eeuwse legers met elkaar zijn verbonden en de logica achter de ontwikkeling van de laatmiddeleeuwse en vroegmoderne 'Revolutions in Military Affairs' (RMA's) die uiteindelijk leidden tot de 'Military Revolution' van de 17e eeuw.2
Ik betoog hieronder dat de drie belangrijkste RMA's ieder voor zich de machthebbers van hun tijd voor een probleem stelden: meegaan in de ontwikkeling of niet. Praktisch was er sprake van prisoners dilemma's3 die eigenlijk maar tot één resultaat konden leiden: meegaan. Daarnaast betoog ik dat het verband tussen de drie RMA's een logistiek verband is. Op grond daarvan verklaar ik ook de tegengestelde ontwikkeling in Japan.
Dit essay is als volgt opgebouwd. Ik introduceer eerst summier de kern van het vraagstuk en de meest gangbare gedachten daarover. Daarbij komen uiteraard ook de tekortkomingen daarvan aan de orde.
Vervolgens bespreek ik de eerste twee van de prisoners dilemma's die de verspreiding van vroege vuurwapentechniek en buskruitproductie verklaren. Daarna ga ik dieper in op de buskruitlogistiek. Deze ontwikkelt zich met de eerste twee RMA's en vormt de basis voor de derde RMA. Deze bracht het derde prisoners dilemma met zich mee. Na dit derde dilemma te hebben besproken, besluit ik met de toepassing van mijn logistieke visie op de ontwikkelingen in Japan.
De militaire revoluties
De meeste deskundigen zijn het erover eens dat tenminste drie RMA's plaatsvonden in de periode van de late middeleeuwen tot in de vroegmoderne tijd. Dit waren (1) de introductie van zware (belegerings)artillerie en de ontwikkeling van vestingbouw; (2) de introductie van handvuurwapens met daaropvolgend de tactische innovaties van prins Maurits en de Zweedse koning Gustaaf Adolf; (3) de enorme groei van de legers in de zeventiende eeuw. Daarnaast wordt meestal ook de verschuiving van dominantie op het slagveld van zware cavalerie naar infanterie in de late middeleeuwen als RMA gezien, net als het tactische overwicht van de Engelse longbow.4 In deze periode ontstonden mede door de eerstgenoemde drie RMA's uiteindelijk soevereine staten met regeringen en goedgeorganiseerde bureaucratieën en staande legers die elkaar in stand hielden.5 Immers, een krijgsmacht moet betaald worden, waarvoor belastinginning nodig is. Dat vereist een soort belastingdienst en administratie, waarvan het gezag moet worden gehandhaafd en zonodig afgedwongen door een effectieve krijgsmacht. Die is echter alleen tegen hoge(re) kosten te handhaven. Daarvoor is weer een sterkere bureaucratie nodig is, waarvoor meer belastinginning nodig is om die te kunnen bekostigen enzovoort.
De ontdekking van het buskruit, de ontwikkeling van artillerie, van haakbussen, lontslot-, radslot- en vuursteenslotmusketten en hun verspreiding door Europa worden gewoonlijk als een gegeven beschouwd. Om het waarom en hoe te verklaren van deze militaire revoluties, zijn verschillende pogingen gedaan. Het vervangen van de boog door een aanmerkelijk minder effectief wapen wordt doorgaans verklaard met het onloochenbare feit dat schutters in enkele weken zijn op te leiden terwijl de opleiding tot boogschutter een langdurige training vergt. Het argument gaat echter mank, omdat hetzelfde geldt voor de kruisboog die overigens ook technisch niet minder gecompliceerd was dan de vroege haakbussen en lontslotmusketten. Het duurde lang voordat het penetratievermogen van de vroege handvuurwapens dat van de (kruis)boog en de longbow overtrof. In feite moesten technisch hoogontwikkeld wapens concurreren met primitieve, inefficiënte, lastig te hanteren en ook voor de gebruikers levensgevaarlijke experimentele tuigen die amper waren uitgevonden. Niettemin vonden de vroege vuurwapens vrij snel een plaats naast het bestaande wapentuig om dat vervolgens te verdringen.6 Dat gebeurde nog terwijl niemand het toekomstig succes ervan kon voorzien. Weliswaar was de nieuwe artillerie succesvol totdat de nieuwe vestingbouwmethoden ertegen waren opgewassen, maar het toekomstige succes van de handvuurwapens was daar niet van af te leiden.
Het gebrek aan sluitende verklaring daarvoor gaf aanleiding tot vergezochte en zeer speculatieve verklaringen als: "Sexual symbolism presumably attached itself to guns from the beginning, and perhaps goes far to explain European artisans' and rulers' irrational investment in early firearms."7 Deze zeer klassieke Freudiaanse verklaring verwaarloost echter de nog klassieker Freudiaanse mannelijkheidsymboliek van pijlen, bouten, speren, zwaarden, dolken en andere doorborende wapens. Wapens bovendien, waarbij de vroege vuurwapens in potentie maar flets bij afstaken. De daarbij behorende ontwikkeling van op vuurwapens gebaseerde infanterietactiek is geen bijzonder probleem: de Japanners ontwikkelden het al voor Prins Maurits.8 Tactische ontwikkelingen volgen altijd wanneer de omstandigheden daartoe dwingen.
Wel een probleem is de groei van de legeromvang. Doorgaans is de verklaring dat dit het gevolg was van de ontwikkeling van het staatsapparaat, groei en centralisatie van regeringen, van belastinginning en de ontwikkeling van een geldeconomie. Die verklaring stelt verder dat de kosten van de oorlog de noodzaak van een versterking van dat staatsapparaat verder versterkte. Dit mogen prima en valide verklaringen zijn, maar deze ontwikkeling is ook voorstelbaar zonder vuurwapens. En dan: de groei van het staatsapparaat, de groei van belastingheffing en groei van de krijgsmachten zijn elkaar versterkende factoren. Onduidelijk is en blijft waar en hoe deze vicieuze cirkel is begonnen. Er is geen kennelijk en logisch verband gelegd tussen de introductie van vuurwapens en de groei van de legers.
En er is een andere anomalie die moet worden verklaard. Als de ontwikkelingsgang van het vuurwapen en alles wat daaruit voortvloeit zo onvermijdelijk was als in Europa het geval bleek, hoe kon Japan dan aan die onvermijdelijkheid ontkomen? De Japanners introduceerden vuurwapens en ontwikkelden de bijbehorende tactiek en de groei van hun legers sneller dan de Europeanen. Niettemin slaagde Japan erin de tegengestelde route af te leggen en terug te keren naar een kleine militaire kaste, gebaseerd op zwaard en pijl en boog. Waarom kon en deed Japan dat wel en Europa niet?
Geen van de voorhanden verklaringen bevredigt geheel. Het hoe en waarom van deze RMA's is nog steeds een kernvraag in het debat. Naar mijn mening moet er een betere, wetenschappelijk elegantere verklaring zijn die zowel de Europese als de Japanse ontwikkeling omvat. In dit essay probeer ik die verklaring te geven. De keus om in een vroeg stadium te investeren in vuurwapens, hun introductie en gebruik moet een rationele keuze zijn geweest, eerder een strategische (en dus logistieke) dan een tactische keuze. De logistieke voordelen verbonden aan buskruit moeten de sleutel zijn tot de verklaring van de laatmiddeleeuwse en vroegmoderne RMA's.
Het eerste Prisoners Dilemma
Het doet er niet bijster toe wie het buskruit uitvond of waar of wanneer. Noch is het echt van belang wie op het idee kwam het als drijfmiddel te gebruiken voor projectielen. Dat had overal kunnen gebeuren in hetzij China, hetzij Europa. Wel van belang is dat in Europa een 'educatieve infrastructuur' bestond waardoor kennis zich snel kon verspreiden en gedeeld werd tussen hoven, kloosters, universiteiten, gilden en de geleerden van die tijd.9 Daardoor was het vrijwel onmogelijk een procédé of een uitvinding geheim te houden of er lang een monopolie op te hebben.
 |
Antiek geschut (NIMH) |
Toen de eerste belegeringsartillerie verscheen (en de kennis ervan beschikbaar kwam) en effectief bleek tegen kasteelmuren, werden de heersers van die tijd geconfronteerd met wat eeuwen later bekend zou worden als het 'prisoners dilemma'. In het kort: Kan een vorst zich veroorloven geen belegeringsartillerie te hebben, terwijl alle anderen dat wel hebben? Neen, is het antwoord, tenminste niet zonder zichzelf in een kwetsbare positie te brengen. Daarmee was de verspreiding van het nieuwe wapen bezegeld en begon ook ontwikkeling van defensieve maatregelen. Die leidden uiteindelijk tot de nieuwe vestingbouw en het "trace italienne". Smeedtechnieken en later giettechniek voor kanonslopen waren bekend in heel Europa. Iedereen die rijk genoeg was kon belegeringsgeschut kopen of tenminste het geld lenen om dat te doen. Uiteraard beperkten de kosten ervan het bezit tot de 'happy few' en de kosten voor het (te velde) operationeel houden ervan droegen daar ook toe bij. Maar dat gold uiteraard ook al voor de al lang bestaande en beproefde belegeringswerktuigen die tenminste even arbeids- en kostenintensief waren in dat opzicht. Tot zover zijn er geen duidelijke logistieke voordelen aanwijsbaar die het bezit van buskruitgeschut rechtvaardigen. Maar het genoemde operationele, tactische succes en het daaruit voortvloeiende 'prisoners dilemma' zijn een kennelijk afdoende verklaring voor de rappe verspreiding van het belegeringsgeschut.
Echter, om dit geschut operationeel te hebben en houden zijn er kogels nodig en -uiteraard- buskruit. En waar kanonnen verschenen, verscheen ook de buskruitproductie.
Het vroegste buskruit was een ruw mengsel van houtskool, salpeter en zwavel. Het had belangrijke nadelen, waaronder vooral de gevoeligheid voor vocht en de instabiliteit van het mengsel. Daardoor konden de componenten zich scheiden bijvoorbeeld tijdens het transport en dat veroorzaakte weer onregelmatige verbranding. Dat betekende dat er een min of meer regelmatige aanvoer nodig was van 'goed' buskruit om de oorlogsvoorraad op peil te houden en ook oefening mogelijk te maken. Het 'korrelen' van kruit, uitgevonden in het midden van de 15e eeuw, verbeterde de kwaliteit van het buskruit in die opzichten aanmerkelijk. Al of niet gekorreld, bij een gestage (over)productie van buskruit, wordt het logistieke voordeel van buskruitgeschut zichtbaar. Er bouwt zich een oorlogsvoorraad op die, aangevuld met de nodige projectielen, permanent beschikbaar is en eventuele oorlogsvoorbereiding bespoedigt.
Op dezelfde manier moet er ruimte zijn ontstaan de overtollige voorraad aan te wenden voor experimentele vuurwapens. Deze experimenten leidden ertoe dat min of meer effectieve handvuurwapens als haakbussen hun entree maakten op het slagveld. Op dat moment waren deze vuurwapens nog steeds inaccurate, langzaam vurende wapens die dikwijls het gevaarlijkst waren voor de schutter. Toch bleven de experimenten en ontwikkelingen gestaag doorgaan, ondanks alle kosten ervan. Waarom? Het antwoord op deze vraag is van logistieke aard en heeft niets te maken met irrationeel, op seksuele symboliek geïnspireerd gedrag.
Het tweede Prisoners Dilemma
Zelfs de primitieve haakbus heeft ondanks al zijn nadelen een groot logistiek voordeel. Een (deels) met vuurwapens uitgerust leger is sneller bevoorraad en gevechtsklaar dan hetzelfde leger dat uitsluitend met (kruis)bogen is uitgerust. En het is exact dat voordeel dat de plaats van het vuurwapen definitief verzekerde. De bevoorrading met buskruit en kogels heeft één cruciaal voordeel boven de bevoorrading met pijlen: snelheid. Een pijl of een bout voor een kruisboog is samengesteld uit tenminste drie en doorgaans vier onderdelen. Deze onderdelen moeten afzonderlijk worden gemaakt en vervolgens aan elkaar bevestigd: de punt moet gegoten of gesmeed door een smid, een pluimveehouder moet geschikte veren aanleveren, er moet hoorn worden geleverd en gesneden voor de nok waarin de pees rust bij het schieten en uiteraard moet dit alles aan de houten schacht worden bevestigd door de pijlenmaker.10 En dat moet accuraat gebeuren teneinde er zeker van te zijn dat er een goed gebalanceerd, stabiel vliegend dus bruikbaar projectiel is gemaakt.

Handvuurwapens (NIMH)
Verrassend genoeg en uiterst opmerkelijk is dat dit aspect van de (kruis)boogtechnologie vrijwel geen aandacht heeft gekregen. Gedurende mijn hele literatuuronderzoek voor dit artikel kwam ik slechts twee rechtstreekse opmerkingen hierover tegen, de eerste stellend dat "Making a crossbow bolt required a half hour of skilled labor"11 en de tweede dat "de kosten en moeite van het maken van pijlen in onmiddellijk verband hebben gestaan met het verdwijnen van de bogen."12
Anderzijds konden 10 soldaten, volgens een procedure die vanaf 1600 nauwelijks meer zou wijzigen, in 10 uur niet minder dan 8000 papieren patronen produceren.13 Zelfs daarvoor, toen kruit in kruitmaatjes afgepast gescheiden van de kogels werd meegevoerd, was de productie van kogels al gewoon bulkproductie vergeleken met die van pijlen en bouten. Want dit voordeel stelde de machthebbers voor het tweede 'prisoners dilemma': géén vuurwapens in de bewapening opnemen was ondenkbaar voor iedereen die ze zich kon veroorloven en aan het nodige buskruit kon komen. "Yet gunfire power, even in its still primitive state of development, was indispensable; lacking it, no sixteenth century army dared engage one that possessed it."14 Het risico niet op tijd (weer) gevechtsklaar te zijn, was onaanvaardbaar.
De volgende voorbeelden laten zien hoe immens het logistieke snelheidsvoordeel was. De stad Gent begon oorlogsvoorbereidingen in maart 1315 en beschikte eind augustus, een half jaar later dus, over 41.150 pijlen en 55.640 bouten.15 Aangenomen dat er dagelijks 10 uur kon worden gewerkt en zondag werd gerust, moeten alleen al voor de bouten twintig ambachtslieden onafgebroken bezig zijn geweest. Hadden zij in diezelfde tijd de bovengenoemde papieren patronen moeten vervaardigen, dan hadden ze niet minder dan 2.300.000 patronen afgeleverd. Bij het beleg van Bedford (1215 AD) waren 19.000 bouten in voorraad16, waarvoor het bestaan 9.500 arbeidsuren vereiste, zo'n drie manjaren werk voor een enkele ambachtsman. Diezelfde man zou dezelfde hoeveelheid papieren patronen hebben afgeleverd in amper 24 dagen. De berekening van de boutenproductie hierboven gaat uit van een permanente beschikbaarheid van punten, schachten, veren en nokken. In werkelijkheid zal een tekort aan het ene of andere onderdeel de productie hebben benadeeld. De gemiddelde jaarproduktie van een Engelse boutenmakersfamilie bijvoorbeeld, bedroeg ruim 14.000 stuks per jaar.17
Zelfs bij de toenmalige kleinschalige productie zijn de verschillen in productiviteit opmerkelijk. In de Nederlanden was tot in het eerste kwart van de zeventiende eeuw de buskruitproductie in handen van vele kleine eenmansbedrijfjes. Een dagproductie van enkele ponden was al veel.18 Maar zelfs uitgaande van een zware lading van 20 gram buskruit per schot (de helft tot een derde van het kogelgewicht was een gangbare hoeveelheid voor de kruitlading), dan nog was een dagproductie van een kilogram genoeg voor 50 schoten, tegen de twintig die een boutenmaker afleverde.
En om een eerlijke vergelijking te maken moet men bedenken dat de (kruis)boogschutter het voordeel had dat zijn munitie schietklaar ter beschikking stond in tegenstelling tot de buskruitschutter. Had de (kruis)boogschutter evenals de haakbusschutter zijn munitie uit losse onderdelen moeten samenstellen, dan was zijn vuursnelheid twee schoten per uur geweest.
De buskruitlogistiek
De vroege handvuurwapens boden dus een snelheidsvoordeel in de oorlogsvoorbereiding en oorlogsvoering. Dit voordeel was natuurlijk afhankelijk van de aanvoer van buskruit en projectielen. Daarom is het op dit punt belangrijk om nader in te gaan op de buskruitlogistiek. Zonder buskruit en kogels zijn vuurwapens nutteloos. Daarom is de munitielogistiek van het grootste belang en de componenten ervan kunnen zelfs strategische goederen worden. Het gaat hier om lood, houtskool, zwavel en salpeter, waarvan de laatste drie met elkaar worden gemengd. Vanaf ongeveer 1600 worden de loden kogel en het buskruit in papieren patronen samengebracht wat het laden vergemakkelijkt. Omdat het papier niet perse noodzakelijk is, blijft het hier verder buiten beschouwing.
Lood werd uiteindelijk het gebruikelijke materiaal voor kogels. Het is een zacht en zwaar metaal dat al bij lage temperatuur is te smelten en kan in elke gewenste vorm gegoten zolang er maar een mal is. Looderts is niet zeldzaam en wordt vrijwel overal aangetroffen. De vroegste smelttechnieken werden al snel verbeterd waardoor de winning verbeterde.
Buskruit is een mengsel van ongeveer 12.5% houtskool, 12.5% zwavel en 75% salpeter. Andere mengverhoudingen komen veelvuldig voor, maar het grootste deel is altijd salpeter.
Hout werd overal in Europa tot houtskool gebrand. Overal waar erts werd gesmolten werd houtskool gebruikt. Zwavel wordt in meer of minder zuivere vorm of in verbindingen met andere stoffen zoals metalen (ijzer, koper), zouten en zuren gevonden en het is relatief makkelijk te winnen. Bekend sinds 1240 voor Christus werd zwavel gezuiverd en verkocht vanuit Italië en Spanje, maar in dagbouw wordt het pas sinds omstreeks 1540 AD gewonnen.19
Salpeter is qua hoeveelheid de grootste component van buskruit. Maar natuurlijke vindplaatsen zijn uitermate zeldzaam. Natuurlijke voorraden werden aangetroffen in Spanje, Italië (Genua) India en Zuid-Amerika, terwijl het in de noordelijke regionen werd gevonden in donkere en vochtige plaatsen als kelders en stallen. Een methode om zuivere salpeter te bereiden werd eerst omstreeks 1260 AD bekend.20 Later werd salpeter vooral kunstmatig gefabriceerd in Zwitserland, Pruisen en Malta. Het procédé van salpeterwinning in salpeterboerderijen is intensief en bewerkelijk. Daardoor werd de zeldzame en moeilijk verkrijgbare salpeter de grondstof die van strategisch belang werd.
Dit belang van salpeter blijkt uit de mate bemoeienis en belangstelling van koningen en keizers, wiens legers steeds afhankelijker werden van buskruit. Overal in Europa werd de salpeterwinning en gebruik een staatsaangelegenheid.21 In de 14e eeuw was de Engelse productiecapaciteit van buskruit afhankelijk van de hoeveelheid salpeter die de Spaanse koning als exportquotum toestond. Pas nadat Engeland salpeter'technologie' importeerde van het vasteland kon het in de eigen behoefte aan dit strategische mineraal voorzien.22 In 1543 monopoliseerde Karel V het bezit van salpeter,23 terwijl in maart 1587 ook voor Philips II salpeter een bron van zorg was.24 Omdat salpeter in 'natuurlijke' vorm alleen werd aangetroffen in verlaten privaten en mesthopen (waar het 80 jaar nodig had om te kristalliseren) werd heel Europa door salpetermannen afgestroopt.25 In 1579 vroeg bijvoorbeeld Sir William Drury, op campagne in Ierland, op zeker moment "ten gunners, two carpenters and two salpetre men"26, wat het belang van de laatste accentueert. Uiteindelijk werd een methode ontwikkeld waarmee salpeter werd geproduceerd uit composthopen in ongeveer twee jaar tijd. Maar ook dit vereiste het verzamelen van menselijke en dierlijke urine. Daartoe werden diverse wetten en decreten uitgevaardigd zoals in 1626 nog door de Engelse koning Charles I. Het was een periode waarin "every kingdom was desperate for gunpowder, which probably accounts for the continuing use of swords, pikes and bows, long after firearms had made them technically obsolete."27
In het laatste kwart van de zestiende eeuw vestigden de Nederlanders hun hegemonie ter zee op de handelsroutes naar de Oost. Daarmee kregen ze toegang tot de salpetervoorraden van India en Azië. Met name Bengalen bleek uit te groeien tot de belangrijkste producent en leverancier van salpeter in de achttiende eeuw, onder Brits gezag. De Hollandse VOC en de Britse Near East India Company bezeilden vanaf 1600 de kusten van India. De Engelsen merkten al snel op dat " 'the Dutch manage things better.' In one respect they certainly did, for they used saltpetre to ballast their ships instead of the traditional useless stones. However, after the first order for saltpetre was received in 1624 the Company was then able to report that they too, 'have enough to ballast. From then on, thousands of tons were imported to England as ballast."28
De opkomst van de Nederlanden als Europese grootmacht kan heel wel zijn begunstigd door de Hollandse toegang tot strategische salpeterbronnen. Diezelfde opmerking kan overigens ook worden gemaakt inzake Spanje. Dit land was in de zestiende eeuw "consistently ahead of other nations in the development and employment of infantry small arms".29 Het had direct toegang tot de eigen natuurlijke salpetervoorraden in Spanje en Italië, en wat hierboven is gezegd over exportbeperkingen onderstreept dat. Het is zeker een geldige vraag of de Spaanse geheimhouding rond de zeeroute naar de Oost voortsproot uit zuivere handelsoverwegingen of dat het vooral of mede werd ingegeven door redenen van staatsbelang en -veiligheid ten aanzien van salpeterbronnen.
Het derde prisoners dilemma.
De staatsbemoeienis met salpeterwinning en -productie is zonder meer één der stappen waarmee de moderne staten ontstonden. Immers, zonder een daartoe aangesteld overheidsapparaat was deze staatsbemoeienis alleen een dode letter gebleven. Naast de bekende werkterreinen van oorlog en belasting, betrad het staatsapparaat uit staatsbelang nu ook het terrein der nijverheid.
De kwaliteit van buskruit- en vuurwapentechniek was in de zestiende eeuw sterk vooruitgegaan. In het eerste kwart van de zeventiende eeuw werd een zekere mate van standaardisatie bereikt in de vuurwapenproductie min of meer gelijk met de introductie van het vuursteengeweer en de tactische vernieuwingen die door Maurits en Gustaaf Adolph werden ingevoerd. Dit alles leidde tot een hoge graad van (preïndustriële!) massaproductie en plaveide het pad voor de laatste RMA: de grote groei van de legers.
De relatief goedkope massaproductie van munitie was een gevestigd instituut geworden. Dat, samen met de groei van het staatsapparaat, maakte de explosieve groei van legers mogelijk. Met dezelfde hoeveelheid geld waarvoor ooit pijlen werden gekocht, kocht een overheid nu sneller en overvloediger munitievoorraden dan ooit. Anders gezegd, de legergroei die plaatsvond had nooit kunnen plaatsvinden vanwege de inherente beperkingen aan de pijl en boutproductie. Alweer is de groei en de verspreiding ervan een geval van het 'prisoners dilemma'. Hoewel de middeleeuwse legers uitstekend voldeden om militaire zaken te regelen zoals ze dat eeuwenlang hadden gedaan, was groei noodzakelijk om niet achter te blijven. De keus tussen investeren in legergroei of niet, is een keus tussen twee kwaden. Het nadeel van niet groeien overtrof weer het nadeel van groei: de (te) kleine krijgsmacht zou worden verslagen, groei kostte geld.30

Groeiende legers(uit: Met vliegende vaandels en slaande trom, Bataafsche
Leeuw)
De nieuwe fortificatiën vereisten relatief kleine garnizoenen, maar voor een beleg was enorme troepenmacht nodig. Ten eerste was de omtrek van het te belegeren gebied al groot. Ten tweede was de omtrek van het gebied dat tegen een eventuele ontzettingsmacht moest worden beveiligd, nog groter. Ook de tactische ontwikkelingen op het slagveld hadden als effect dat een grote frontbreedte werd verkregen. Uiteindelijk biedt een linie op drie gelederen een grotere frontbreedte dan hetzelfde aantal manschappen op vijf of tien gelederen bij gelijkblijvende vuursnelheid. Wanneer het ene leger het andere letterlijk overvleugelt, kan er een klassieke omsingelingsslag ontstaan. Met de bekende fatale gevolgen voor de omsingelde partij.
Zo ontwikkelde zich een immense groei, uitsluitend geremd door logistieke beperkingen. Waar ooit pijl en boutlogistiek legergroei beperkte, faciliteerde massaproductie van munitie nu vrijwel ongelimiteerde groei. Dat dwong de nieuwe gevormde staten in een zeer Clausewitziaanse inspanning tot het uiterste.
De Japanse ommekeer.
In tegenstelling tot Europa, keerde Japan op zijn schreden terug na dezelfde ontwikkeling te hebben doorgemaakt. In Japan verdwenen hoogontwikkelde vuurwapens en infanterietactiek en grote legers in enkele decennia van het toneel en keerde een kleine krijgerskaste met zwaarden en pijl-en-boog terug als voornaamste militaire macht. Hoe dat gebeurde is beschreven door Perrin en Parker. 31 In het kort komt het er op neer dat het Shogunaat de wapenproductie nationaliseerde, concentreerde en de afname beperkte tot overheidsaankopen. Die aankopen namen in rap tempo af tot bijna nihil. Daarnaast werden de aanwezige vuurwapens ingezameld en verwerkt in religieuze beelden. Zo werd het volk ontwapend en vuurwapenbezit streng gereguleerd en kon de samuraikaste zich weer concentreren op de klassieke wapens: zwaard en boog.
Maar "Few scholars agree completely on what made them do it, or on how, having gone so far with guns, they were able to retrace their steps." zegt Perrin32 en tot nu toe zijn er geen betere verklaringen gevonden. Hij noemt vijf redenen waarom dit gebeurde, alle ethisch en estetisch op één na. Dat is Japans geografische ligging die het mogelijk maakte een isolationistische politiek te voeren zonder angst voor invasies. Die omstandigheid zou de afschaffing van vuurwapens hebben begunstigd. Deze redenering is weliswaar valide maar Perrin (en velen met hem) was zich het volgende niet bewust.
Het Shogunaat koos welbewust voor afzondering die vanaf ongeveer 1640 effectief zijn beslag kreeg. In de voorgaande eeuw echter "[Japan] manufactured more guns than any other country in the world and produced huge amounts of gunpowder from imported saltpeter, used these firearms and ammunition for war at home and abroad, ...".33 Het leeuwendeel van de Japanse salpeterproduktie en loodbehoefte was afkomstig uit import.34 De keus voor afzondering en isolationisme impliceerde het einde van deze import. Bijgevolg zou er nooit voldoende munitie kunnen worden geproduceerd om het bestaande arsenaal te blijven bevoorraden. De salpeterproductie zou terugvallen tot een laag niveau, hooguit genoeg voor de bescheiden resterende vraag vanuit het leger, de vuurwerkfabricage en mijnbouw.
De lokale salpeterproductie had ongetwijfeld kunnen worden verhoogd door aanwending van menselijke en dierlijke uitwerpselen op Europese wijze. Maar er was ook een ander probleem op te lossen. De toenemende bevolkingsgroei betekende ook een hogere vraag naar levensmiddelen. Het was noodzakelijk mest te gebruiken om de landbouwvelden te bemesten en al vanaf 1650(!) werden daartoe menselijke uitwerpselen systematisch verzameld via openbare toiletten. Een gevolg was dat er vergeleken met Europa nauwelijks meer epidemieën voorkwamen als gevolg van de grote openbare hygiëne. Het effect van het salpetermoratorium was tweeledig. Allereerst beroofde het de vuurwapenbezitters van munitie en liet ze achter met onbruikbaar wapentuig. Zo werd de bevolking ontdaan van militaire macht tegen het Shogunaat en de samuraikaste. Daarmee was de weg vrij voor ontwapening en vernietiging van de toch al nutteloze vuurwapens. Het tweede effect was dat, door de landbouwproductie veilig te stellen, één van de belangrijkste redenen voor opstanden en politieke turbulentie werd voorkomen: hongersnood. Gelijktijdig met het bereiken van volledig isolement werd in enkele tientallen jaren een ontwapeningsprogramma uitgevoerd. Dat hield waarschijnlijk gelijke pas met de verminderde aanvoer van salpeter, zonder het 'geheim' van deze logistieke 'zwakte' aan vreemdelingen prijs te gegeven. Wellicht hebben de Hollanders hiervan nog het meest geprofiteerd: de Aziatische stroom van salpeter kon nu naar de Nederlandse bezittingen worden omgelegd. Zo kan de Japanse afsluiting hebben bijgedragen aan de militaire macht en de salpeterhandel van de Nederlanden.
Bezien vanuit dit logistieke standpunt was de Japanse terugkeer naar het zwaard een weloverwogen en voorziene consequentie van een bewuste keus voor isolationisme en de economische en logistieke gevolgen daarvan. Bovendien was deze terugkeer een onderdeel van een reeks interne maatregelen om deze gevolgen op te vangen.
Tot besluit
Twee andere elementen worden vaak genoemd als onderdeel van de besproken ontwikkeling: 1) de verschuiving van het overwicht van zware cavalerie naar infanterie en 2) het overwicht dat de 'longbow' verkreeg op de gewone en de kruisboog op het slagveld. Naar mijn mening lopen deze twee ontwikkelingen weliswaar parallel met de buskruitrevolutie maar maken ze daar geen deel van uit. De piek en de boog verdreven de cavalerie van het slagveld, maar wanneer zij dat niet hadden gedaan dan was het vroeger of later alsnog gebeurd met behulp van de vuurwapens. Ten eerste zou dat effect zijn bereikt door het penetratievermogen van musketkogels in pantser dat cavalerie weerloos had gemaakt. Ten tweede is er (alweer) een logistieke reden. De legergroei zoals die met de infanterie plaatsvond, zou bij gebrek aan paarden praktisch onmogelijk zijn geweest. En degene die het zou hebben geprobeerd zou getalsmatig door de infanterielegers zijn overtroffen. En dan is de factor nog buiten beschouwing gebleven dat het infanterieleger zich qua logistiek sowieso niet om het voederen van evenzoveel paarden hoeft te bekommeren.
De 'longbow' tenslotte is te beschouwen als het laatste technische hoogstandje van de pijl-en-boogtechnologie voor oorlogsdoeleinden. Als zodanig is het een mijlpaal in de militaire geschiedenis die een technische en tactische innovatie aanduidt die door een andere technische en logistieke ontwikkeling werd achterhaald.
Mijn conclusie is dat de RMA's van de late middeleeuwen en de vroegmoderne tijd primair een logistieke revolutie zijn. Buskruit maakte de uitvinding van het zware belegeringsgeschut mogelijk, de productie ervan bracht logistieke voordelen in de bevoorrading van legers en maakte uiteindelijk een enorme groei van de legers mogelijk. De uitvinding van buskruitgebruikend en kennelijk effectief belegeringsgeschut markeert het begin van deze ontwikkeling. Het confronteerde heersers met het eerste van drie prisoners dilemma's dat leidde tot het verspreiden van geschut- en buskruitfabricage. Gestage buskruitproductie gaf ruimte tot experimenteren met handvuurwapens die uiteindelijk boog en kruisboog vervingen. Hun grootste voordeel was niet het tactische overwicht maar het strategische snelheidsvoordeel in munitie-logistiek: buskruit en kogels kunnen vergeleken met pijlen en bouten in bulk worden geproduceerd. Dit veroorzaakte het tweede prisoners dilemma dat leidde tot de verspreiding van handvuurwapens ten koste van de (kruis)boog. Salpeter werd, als meest schaarse grondstof, een strategisch goed waarvan het bezit en de toegang tot salpetervoorraden bepalend werd voor de toegang tot militaire macht. Massaproductie (naar pre-industriele maatstaven) van vooral munitie maar ook wapens maakte de groei van legers mogelijk. Deze mogelijkheid leidde tot het derde prisoners dilemma en resulteerde in de onomkeerbare groei van legers tot een voordien ongekende omvang. Dat Japan de weg terug wel kon gaan is het gevolg van een zelfgekozen isolement waarbij het zich bewust afsneed van de salpeterimport, munitiefabricage praktisch tot nihil terugbracht en zodoende vuurwapens om te beginnen nutteloos maakte. De ontwapening voltrok zich vervolgens als deel van een reeks bestuurlijke en economische maatregelen.
Literatuur:
o Ayton, Andrew, & J.L. Price (eds.), The medieval military revolution: state, society and military change in medieval and early modern Europe, London, New York: Tauris, 1998.
o Dupuy, Trevor N., The evolution of weapons and warfare, Fairfax: Hero 1988.
o Dupuy, R.E. & T.N. Dupuy, The encyclopedia of military history, 2nd ed., London, Jane's Publishing Company 1986.
o Eltis, D., The military revolution in sixteenth-century Europe, London, New York: Tauris publishers, 1995.
o Graaf, Ronald de, Oorlog om Holland 1000-1375, Hilversum: Verloren, 1996.
o Grancsay, Stephen V., Wapens en wapenrustingen, Amsterdam, Brussel: Elsevier1965. (Dutch edition of Arms and armor, New York: Odyssey Press s.a.).
o Hall,B.S., Weapons and warfare in Renaissance Euroep: gunpowder, technology and tactics Baltimore, lomdon: John Hopkins University Press 1997.
o Hoof, J.P.C.M. van, "Artillerie door de eeuwen heen" in: Armamentaria, vol. 12, 1977.
o Howard, Michael, War in European history, London, Oxford, New York: Oxford University Press 1976.
o Jones, Archer, The art of war in the western world, London: Harrap 1987.
o Keegan, J., A history of warfare, London: Hutchinson 1993.
o Klein, P.W., "Het arsenaal van de wereld. Wapenhandel in de gouden eeuw" in: Armamentaria, vol. 29, 1994.
o Knox, MacGregor & Williamson Murray (eds.), The dynamics of military revolution 1300-2050, Cambridge: Cambridge University press, 2001.
o Lenselink, J., "Vuurwerk in de bibliotheek: een selectie handboeken over vuurwerkproductie" in: Armamentaria, vol. 27, 1992).
o Lynn, J.A. (ed.), Tools of war: instruments, ideas, and institutions of warfare, 1445-1871, Urbana, Chicago: University of Illinois Press, 1990.
o Mattingly, Garrett, De Spaanse armada, Amsterdam, Brussel: Elsevier 1980 (Dutch edition of: The Armada)
o McNeil, W.H., The pursuit of power, Chicago: University of Chicago Press, 1982.
o Neut, J.R. van de, Buskruit, roermaker en schutter, Deventer: Almford, s.a.
o Parker, Geoffrey, The military revolution, Cambridge: Cambridge 1988.
o Parker, G., "From the House of Orange to the House of Bush" in Militaire Spectator, jrg 172 (2003)(4)
o Perrin, Noel, Giving up the gun: Japans reversion to the sword, 1543-1879, Boulder: Shambala Publications 1980.
o Stone, George Cameron, A glossary of the construction, decoration and use of arm and armor, New York 1961.
o Tanaka Yûko, "The cyclical sensibility of Edo-period Japan", in Japan Echo Vol 25, No. 2, april 1998
o Vogel, H.Ph, H.W. Singor, J.A. de Moor (red), Een wereld in oorlog, Utrecht, Het Spectrum 1995.
o Warner, Philip, Firepower from slings to star wars, London, Grafton Books, 1989.
o Wavell, Sir Archibald, Generals and generalship, Hammondsworth, New York: Penguin, 1939.
Noten:
1 Wavell, Sir Archibald, Generals and generalship (1939) p. 27.
2 Ik richt me bij deze terminologie naar het onderscheid zoals Knox en Murray dat maken in M. Knox en W. Murray, The dynamics of military revolution 1300-2050, (2001). 'Revolutions in military affairs' kunnen lang of kort duren, leiden tot belangrijke tactische aanpassingen. Een 'military revolution' voltrekt zich in relatief korte tijd en breng zeer ingrijpende gevolgen met zich mee, waaronder nieuw RMA's.
3 Het 'Prisoners dilemma' is een model uit de speltheorie ontwikkeld in de 50er en 60er jaren van de vorige eeuw. Het wordt gebruikt om bijvoorbeeld wapenwedlopen te verklaren. In het kort komt het hierop neer. Twee partijen staan elk afzonderlijk voor een keus. Zowel het beste als het slechtste alternatief brengen vrijwel onaanvaardbare risico's met zich mee 0omdat ze in een win-verlies situatie kunnen uitmonden. Om in elk geval hun verlies te voorkomen, kiezen beide partijen voor een gedragslijn die tot een suboptimale tussenoplossing leidt die echter voor geen van beiden eerste keus is. Het is, eerder dan een 'win-win' situatie, een 'nietverlies-nietverlies' situatie."
4 De Engelse longbow was een uiterst krachtige, manshoge boog van (meestal) taxushout. Hij overtrof ruimschoots de kleinere bogen die op het Europese vasteland gangbaar waren in dracht en penetratievermogen.
5 Zie ook Vogel (et al.), Een wereld in oorlog (1985), waarin verschillende aspecten van deze RMA aan de orde komen.
6 Bert Hall maakte een uitgebreide en gedetailleerde studie van dit proces in Weapons and warfare in Renaissance Europe: gunpowder, technology and tactics (1997).
7 McNeill, William H., The pursuit of power (1982) p.83, een commentaar in een voetnoot. Hij vervolgt: "Yet even if this sort of psychological resonance explains otherwise unintelligible behavior, it does not explain why Europeans were especially susceptible. The character of western Europe's political institutions and the militaristic habits of urban dwellers who manufactured (and paid for) the new guns seem necessary factors in converting psychological drives from mere fantasy into hard metal."
8 Zie hierover G. Parker, "From the House of Orange to the House of Bush" in Militaire Spectator, jrg 172 (2003)(4) p. 177-193.
9 De verschillende deskundigen in mijn literatuur zijn het althans hier over eens.
10 Stone, George Cameron, A glossary of the construction, decoration and use of arm and armor (1961) pp. 71-75.
11 Jones, Archer, The art of war in the western world (1987) p. 154.
12 Grancsay Stephen V., Wapens en wapenrustingen (1965) p. 41.
13 Neut, J.R. van de, Buskruit, roermaker en schutter (s.a.) p. 155.
14 Dupuy, T.N., The evolution of weapons and warfare (1988) p. 97.
15 Graaf, Ronald de, Oorlog om Holland 1000-1375 (1996) p. 202.
16 Warner, Philip, Firepower from slings to star wars (1989) p. 34.
17 Hall, B.S., Weapons and warfare in Renaissance Europe (1997), p.17:
"The de Malemort family [...] specialized in the production of crossbow bolts [...]. Family records indicate that between 1223 and 1293 nearly a million were produced, over 14,000 per annum."
18 Klein, P.W., "Het arsenaal van de wereld. Wapenhandel in de gouden eeuw" in: Armamentaria, vol. 29, 1994: "een dagproduktie van een paar pond buskruit was al heel wat.".
19 Van der Neut, Buskruit, p. 13; Lenselink, J., "Vuurwerk in de bibliotheek" in: Armamentaria, vol. 27, (1992).
20 Hoof, J.P.C.M. van, "Artillerie door de eeuwen heen" in: Armamentaria, vol. 12 (1977).
21 Reference to Derry, T. and Williams T.A., A short history of technology, in:
Keegan, J. A history of warfare, London, Hutchinson 1993.
22 http://www.jsap.or.jp/ap/1998/ob6711/obi9811/9811.html,
Oyobuturi International, Nov. 1998, Review: International Patent Systems
A two part series of articles reviewing the history of the modern international patent system based on a review by Mr Fumio Sato, an international patent attorney.
The original Japanese text was translated into English by Dr. F.M. Saba, Toshiba R&D Centre.
23 Van de Neut, Buskruit, p. 10
24 Mattingly, G., De Spaanse armada (1980), p. 62 "Er werd knorrig gevraagd waar de salpeter bleef die uit Genua verwacht werd" door Philips II van Spanje, maart 1587.
25 http://www-geology.ucdavis.edu/~gel115/115CH16fertilizer.html: Chapter 16: firepower and fertilizers, last update spring 1999.
26 Ayton and Price, Medieval military revolution, p. 167.
27 http://www-geology.ucdavis.edu/~gel115/115CH16fertilizer.html: Chapter 16: firepower and fertilizers, last update spring 1999.
28 http://www.salt.org.il/india.html
Copyright David Bloch, 1996. mblsalt@attglobal.net
http://salt.org.il
29 Dupuy, R.E. & T.N. Dupuy, The encyclopedia of military history, 2nd ed. (1986) p. 449.
Ook: G. Parker, From the house of Orange to the House of Bush, MS 172(2003)(4).
30 Hall, Weapons and warfare (1997)
31 Perrin, Noel, Giving up the gun: Japans revcersion to the sword, 1543-1879 (1980). Parker, Geoffrey, The military revolution (1988) hoofdstuk 4.
32 Perrin, Giving up the gun, p.5
33 Tanaka Yûko, "The cyclical sensibility of Edo-period Japan", in Japan Echo Vol 25, No. 2, april 1998. (i-net publication at
http://lian.com/TANAKA/englishpapers/cyclical.htm)
34 http://lib1.nippon-foundation.or.jp/2000/1161/contents/064.htm:
"The materials used to make the gunpowder indispensable for firearms were saltpeter, sulfur and charcoal, and the pirate chief 'Hoku, alias Goh' made enormous profits bringing saltpeter from China and Siam (now Thailand) to Japan."
|