|
Inleiding
De militaire vliegbasis Soesterberg gaat sluiten in 2007. De bakermat van
de Nederlandse militaire luchtvaart heeft zijn langste tijd gehad. De
gedachten gaan dan automatisch uit naar het roemrijke verleden van deze
luchtmachtbasis. Hoe begon het allemaal en wie waren de mannen die in de
eerste jaren van het bestaan van de vliegbasis de stuwende krachten waren
achter de ontwikkeling ervan? En uiteraard rijst de vraag: waarom kreeg
het militaire vliegtuig in Nederland vaste grond onder de voeten?
Hieronder geef ik een korte beschrijving van mensen en gebeurtenissen die
belangrijk zijn geweest voor de vroege ontwikkeling van het luchtwapen in
Nederland. Achtereenvolgens behandel ik de generaal C.J. Snijders, de
nationale politiek, Walaardt Sacré, de Eerste Wereldoorlog en de
zogenaamde vliegtuiginterneringen.
 |
OPPERBEVELHEBBER VAN LAND- EN ZEEMACHT GENERAAL C.J. SNIJDERS. (FOTO NEDERLANDS INSTITUUT VOOR MILITAIRE HISTORIE DEN HAAG,
NIMH) |
Generaal C.J. Snijders.
Een belangrijke rol bij het ontstaan van de militaire luchtvaart in
Nederland was weggelegd voor generaal C.J. Snijders. Deze genieofficier
was opperbevelhebber van de Land- en Zeemacht van 1913 tot 1918. Hiervoor,
in 1909, ontwikkelde hij plannen om binnen het Nederlandse leger te komen
tot een structurele aanpak van het vraagstuk van de militaire luchtvaart.
Snijders was op dat moment souschef van de Generale Staf.(1) Hij legde
zich serieus toe op bestudering van een mogelijke rol van het vliegtuig
als nieuw onderdeel van de landstrijdkrachten. Hij probeerde te komen tot
concrete voorstellen voor de oprichting van een luchtvaartorganisatie
binnen het Nederlandse leger.(2)
De Militaire Luchtvaart Commissie.
Generaal Snijders deed in 1910 de toenmalige minister van Oorlog, W.Cool,
een belangrijk voorstel. Hij vroeg de minister om een militaire commissie
in te stellen om de mogelijkheden en problematiek van de militaire
luchtvaart te gaan onderzoeken. Cool willigde het verzoek in. Snijders nam
zelf het voorzitterschap op zich.(3) In maart 1910 werd de ‘Militaire
Luchtvaart Commissie’ ingesteld.(4) Op deze manier werd in Nederland
voor het eerst serieus naar de mogelijkheden van de militaire luchtvaart
gekeken. Snijders was daar de instigator van.
Generaal Snijders bleef echter geen voorzitter van de commissie. Hij werd
op 1 juli 1910 Chef van de Generale Staf. Het voorzitterschap van de
luchtvaartcommissie was gekoppeld aan de functie van Souschef en dus droeg
Snijders het voorzitterschap over aan de nieuwe Souschef van de Generale
Staf, luitenant-kolonel W.H. van Terwisga, die tot de ontbinding van de
Militaire Luchtvaart Commissie als voorzitter aan zou blijven.(5)
De commissie kwam na een tijd studeren tot de conclusie dat er een
luchtvaartorganisatie diende te worden opgezet. Letterlijk valt in het
rapport van de luchtvaartcommissie te lezen: “De Militaire Luchtvaart
Commissie beveelt aan: de oprichting van eene centrale organisatie voor
militaire luchtvaart bij ons leger.”(6) Hiermee was de belangrijkste
conclusie getrokken. Wat verder opvalt in het eindrapport is het belang
dat, bijvoorbeeld op operationeel gebied, aan het vliegtuig wordt gehecht.
Te lezen valt namelijk: “…wanneer niet de verschillende legerbesturen(7)
terecht hadden ingezien welke groot nut er in de oorlog vermoedelijk van
vliegtuigen zal zijn te trekken voor verkenningsdiensten.”(8)
Het rapport van de commissie werd in 1912 aan de minister van Oorlog
voorgelegd. Belangrijk was dat generaal Snijders zich ‘in algemeenen zin
en geheel’(9) in de voorstellen kon vinden. Hij was het met de commissie
eens dat alle takken van luchtvaart en alles wat daarbij hoorde (zoals
kabelballonnen, motorballonnen, kabelvliegers en motorvliegers) in de
nieuw op te richten luchtvaartorganisatie dienden te zijn
vertegenwoordigd.(10) De zienswijze van generaal Snijders zou later door
de politiek echter niet geheel worden overgenomen.
 |
KAPITEIN H. WALAARDT SACRÉ, WAS VAN 1913 TOT 1919 DE EERSTE COMMANDANT VAN DE LUCHTVAARTAFDELING (FOTO NIMH) |
De benoeming van Hendrik Walaardt Sacré.
Een belangrijke beslissing van Snijders was verder de voordracht van
Walaardt Sacré als eerste commandant van de op te richten
Luchtvaartafdeling. Hiermee was het Snijders die, zoals later zou blijken,
de juiste man op de juiste plaats zou neerzetten en daarmee de militaire
luchtvaart in Nederland een grote dienst zou bewijzen. Snijders zorgde
ervoor dat Sacré direct onder hem ressorteerde. Formeel had Sacré dus
alleen de allerhoogste baas van de landmacht boven zich. Hierdoor had
Snijders de weg vrijgemaakt voor een snelle ontwikkeling van de militaire
luchtvaart in Nederland. Gedurende de Eerste Wereldoorlog, waarbij
Snijders de opperbevelhebber van de Land- en Zeemacht was, bleef Snijders
de ‘grote beschermheer’ van de Nederlandse militaire luchtvaart Hij
bleef dit tot het einde van zijn functioneren als Chef van de Generale
Staf. Zijn opvolger, luitenant-generaal Willem Frederik Pop, was veel
minder geïnteresseerd in het vliegtuig als belangrijk wapensysteem, wat
samenvallend met het einde van de Eerste Wereldoorlog, resulteerde in een
drastische verkleining van de Luchtvaartafdeling.(11)
De politiek en de invloed van Tydeman.
Tevens van groot belang was de rol die de landelijke politiek speelde in
de oprichting van de Luchtvaartafdeling. Nadat minister Colijn de adviezen
van de Militaire Luchtvaart Commissie had overgenomen vroeg hij op de
begroting van 1913 de financiële middelen aan die nodig waren om de nieuw
op richten Luchtvaartafdeling te bekostigen.
Bij het debat over de begroting van het departement van Oorlog was een
belangrijke rol weggelegd voor de liberale parlementariër Tydeman. Hij
was fel tegenstander van de manier waarop minister Colijn het geld wilde
gaan besteden. Tydeman wilde het geld dat Colijn vroeg wel toezeggen, maar
niet besteden aan ballons. Het totale bedrag zou in zijn geheel aan
vliegtuigen moeten worden besteed. Een kamermeerderheid was het met hem
eens. Voor ballons, die Walaardt Sacré graag als onderdeel van de
Luchtvaartafdeling wilde hebben, wilde het parlement geen geld vrijmaken.
Tydeman was erg duidelijk over de nieuw op te richten militaire
Luchtvaartafdeling: ‘De op te richten afdeeling moet naar het mij
voorkomt gericht zijn op de vliegtuigen en op niets anders.’(12)
Om de voorstellen van de regering kracht bij te zetten werd Walaardt Sacré
in de Tweede Kamer opgevoerd om een toelichting te geven op de plannen van
de bewindslieden. Dit is een belangrijk gegeven. Daar waar hij namelijk
veel invloed had binnen het leger, met zijn directe verbintenis met de
chef van de generale staf, generaal Snijders, daar had hij maar weinig
invloed op de zienswijzen van de parlementariërs, onder leiding van
Tydeman. Letterlijk zei deze laatste: ‘Deskundigen zijn uit de aard der
zaak te eenzijdig.’
Minister Colijn bleef echter vasthouden aan zijn voorstellen, waarop
Tydeman een amendement indiende. Kort gezegd kwam dit neer op het
vasthouden van de omvang van het bedrag dat Colijn wenste, maar de
besteding ervan zou alleen ten gunste van vliegtuigen komen; er werd geen
geld gereserveerd voor ballonnen. Naast de aanschaf van vliegtuigen zou
ook het vliegterrein bij Soesterberg worden aangekocht.(13)
Nadat gebleken was dat het ingediende amendement op een kamermeerderheid
kon rekenen, besloot minister Colijn overstag te gaan en het amendement
over te nemen. Het amendement werd op 15 januari 1913 in stemming gebracht
en met 54 tegen 15 stemmen aangenomen. Hiermee was de weg vrijgemaakt voor
de oprichting van een Nederlandse militaire Luchtvaartafdeling.(14)
Deze episode laat zien hoe belangrijk het parlement en in dit geval de
invloed van de volksvertegenwoordiger Tydeman was. Het parlement heeft een
belangrijke rol gespeeld bij de oprichting van de Luchtvaartafdeling. Door
de besluitvorming in de Tweede Kamer is er uiteindelijk een andersoortig
militair luchtwapen gekomen dan Walaardt Sacré, generaal Snijders en
minister Colijn voorstonden. De Nederlandse politiek is daarom een
belangrijke vormend element geweest in de opbouw van de militaire
Luchtvaartafdeling.

COMMANDANT WALAARDT SACRÉ IN GESPREK MET EEN VLIEGENIER (FOTO
NIMH)
Kapitein der Genie, Hendrik Walaardt Sacré.
Een man die, als gezegd, veel invloed had op het ontstaan en de vroege
ontwikkeling van de militaire luchtvaart in Nederland was Hendrik Walaardt
Sacré.(15) Als officier der Genie kreeg hij in 1908 het commando over de
luchtscheepvaart bij zijn regiment. Een jaar later, in 1909, vroeg
generaal C.J. Snijders Sacré zich te verdiepen in de militaire
luchtvaart. Kapitein Sacré maakte om zich te oriënteren op de luchtvaart
twee reizen naar Berlijn, waar hij bijvoorbeeld op een bouwplaats van
motorscheepvaart onderzoek deed. Hij ontwikkelde zich tot een specialist
op het gebied van de (militaire) luchtvaart(16) en werd daarom gevraagd
door generaal Snijders, destijds souschef van de generale staf, zitting te
nemen in een door hem opgerichte luchtvaartcommissie. Sacré werd benoemd
tot secretaris.
In de Militaire Luchtvaart Commissie pleitte Sacré voor de aanschaf van
ballonnen naast vliegtuigen. Dit advies werd echter, zoals boven
beschreven, niet door het parlement overgenomen. In plaats daarvan werden
er voor de nieuw op te richten Luchtvaartafdeling alleen vliegtuigen
aangeschaft. Niettemin werd Sacré voorgedragen en benoemd tot eerste
commandant van de Luchtvaartafdeling. Op 1 juli 1913 werd de kapitein der
Genie Hendrik Walaardt Sacré commandant van de Luchtvaartafdeling, welke
gevestigd werd op Soesterberg.
Sacré kreeg een aantal belangrijke taken. Zijn aandacht moest hij
concentreren op vier gebieden, te weten: de opbouw van de
grondorganisatie, de verwerving van vliegtuigmaterieel, selectie en
opleiding van het luchtvaartpersoneel en de institutionalisering van de
militaire luchtvaartorganisatie.(17) Sacré was door zijn takenpakket
direct verantwoordelijk voor de groei van de Luchtvaartafdeling en de
begeleiding en opbouw van het vliegtuig als belangrijk wapensysteem binnen
de Nederlandse landstrijdkrachten.
De activiteiten breidden zich in de eerste jaren van de militaire
luchtvaart sterk uit. Mede onder invloed van de Eerste Wereldoorlog
ontstonden specialismen op het vliegveld, zoals een vliegmedische dienst,
een meteorologische dienst en een radiotelegrafiedienst. Op de vliegbasis
werd verder bijvoorbeeld voor het personeel een groot kazernement gebouwd.
Zo verrees er een houten barak, waar 50 onderofficieren werden gehuisvest
en werd er een stenen barak gebouwd voor de behuizing van nog eens 144
manschappen en vijf onderofficieren.(18) Ook nam het aantal vliegtuigen
vanaf 1913 sterk toe, maar daarover later meer.
De internationale dreiging.
Nadat op 4 augustus 1914 Duitse troepen België waren binnengevallen en
vervolgens oprukten naar de Franse grens nam ook voor Nederland de
dreiging vanuit de omringende landen toe. Het was immers mogelijk dat
Duitsland Nederland binnen zou vallen(19) en ook was een Britse landing op
de Hollandse kust niet ondenkbaar. Al voor de oorlog waren er door de
Nederlandse generale staf verschillende scenario’s bedacht voor het
geval in Europa de lont in het kruidvat zou worden gestoken. Het was voor
de Nederlandse legerleiding afwachten wat er in de eerste dagen van de
oorlog zou gaan gebeuren. De Nederlandse gezagsdragers wilden te allen
tijde voorkomen dat Nederland in een oorlog zou worden betrokken; zij
wilden neutraal blijven.
Nederland mobiliseerde drie dagen voordat Duitsland België binnenviel.
Onder leiding van generaal C.J. Snijders werden 200.000 man onder de
wapenen gebracht.(20) Een van de onderdelen die in staat van paraatheid
werd gebracht werden was de vliegdienst van Walaardt Sacré.

HET VLIEGKAMP SOESTERBERG NA DE EERSTE WERELDOORLOG (FOTO
NIMH)
De Luchtvaartafdeling breidt uit: nieuwe vliegterreinen worden in gebruik
genomen.
Tijdens de oorlog had de Luchtvaartafdeling als belangrijkste taak het
verkennen van het luchtruim, onder meer door patrouilles langs de grenzen
te vliegen. Hiervoor werden verschillende nieuwe vliegterreinen aangelegd.
In 1914 werden er in Arnhem, Gilze-Rijen en Vlissingen vliegvelden
aangelegd. Vanuit Gilze-Rijen kon langs de Belgische grens worden
gevlogen, terwijl vanuit Arnhem met een tussenlanding in Venlo langs de
Duitse grens kon worden gepatrouilleerd. Het vliegterrein in Vlissingen
diende als schakel in de kustverdediging. Het vliegveld in Zeeland
functioneerde als vertrek- en landingspunt voor vliegtuigen die de
Nederlandse kusten bewaakten. Niet veel later, in 1916, kwamen er nog twee
vliegterreinen bij: één in Oldebroek, welke ten dienste stond van
artillerie-oefeningen en één te Schiphol, gelegen binnen de zogenaamde
‘Stelling van Amsterdam’. Dit laatste vliegveld was na Soesterberg het
belangrijkste militaire vliegveld van Nederland.

DEZE BRISTOL F-2B FIGHTER WERD EIND SEPTEMBER 1917 IN ZEEUWS-VLAANDEREN GEÏNTERNEERD EN ZOU NADIEN DOOR LUCHTVAARTPIONIER WILLEM VERSTEEGH WORDEN GEVLOGEN. (FOTO
NIMH)
Het zoeken naar vliegtuigen en materieel.
Gedurende de Eerste Wereldoorlog maakte het vliegtuig als wapensysteem een
enorme groei door; het aantal vliegmachines dat werd gebouwd nam sterk toe
en ook de technologie nam een hoge vlucht. Om een voorbeeld te geven:
Frankrijk had bij het uitbreken van ‘den Grooten Oorlog’ de
beschikking over 140 vliegtuigen. Dat lijkt veel, zeker in vergelijking
met Nederland, maar het stond in geen verhouding tot de 4.500 vliegtuigen
die het land aan het einde van de Eerste Wereldoorlog in kon zetten.
Echter: ook deze cijfers geven een vertekend beeld. In totaal heeft
Frankrijk namelijk niet minder dan 68.000 vliegtuigen gebouwd. Een
bijzonder groot deel van deze vliegtuigen is verongelukt of neergeschoten:
77 procent de bijna 70.000 vliegtuigen kwam zo aan zijn eind.(21) Wat
overbleef was veelal te zwaar beschadigd om nog dienst te kunnen doen.
4.500 vliegtuigen haalden, zoals boven genoemd, het einde van de oorlog.
Nederland had, in tegenstelling tot bijvoorbeeld Frankrijk, veel minder
vliegtuigen tot zijn beschikking. Aan het begin van de Eerste Wereldoorlog
waren er in Nederland een kleine tien vliegtuigen operationeel inzetbaar.
Belangrijk was echter wel dat de hoeveelheid vliegtuigen en daarbij
behorend personeel als gevolg van de toegenomen internationale dreiging
zou toenemen. Dit om een tegenwicht te vormen tegen de enorme hoeveelheden
vliegtuigen die in West-Europa rondvlogen. Het was echter bijzonder
moeilijk om tijdens de oorlog aan vliegtuigen of vliegtuigonderdelen te
komen. Immers, de landen waar traditioneel het materieel van werd
afgenomen wilden tussen 1914 en 1918 zoveel mogelijk vliegtuigen en
toebehoren voor hun eigen oorlogsinspanning gebruiken.

HOOG BEZOEK OP BIJ DE LUCHTVAARTAFDELING (LVA). OPPERBEVELHEBBER SNIJDERS (MIDDEN) LUISTERT AANDACHTIG NAAR EEN UITEENZETTING VAN LVA-PERSONEEL (FOTO
NIMH)
Bestellingen in het buitenland.
Het lukte Sacré wel om een (beperkt) aantal vliegtuigen en
vliegtuigmotoren naar Nederland te halen voor dienst in de
Luchtvaartafdeling. Zo werden er in Frankrijk vijftien vliegtuigen
besteld, die echter erg verlaat geleverd werden.(22) Meer geluk had de
Nederlandse luchtvaartcommandant in het neutrale Zweden. Daar wist een
Nederlandse delegatie 90 motoren te kopen die vrij snel werden geleverd en
die direct werden gebruikt om versleten en minder betrouwbare motoren in
bijvoorbeeld Nederlandse Farmans te vervangen. In Duitsland werden nog
eens 50 vliegtuigen aangekocht.(23) In totaal werden dus tijdens de oorlog
65 vliegtuigen uit het buitenland betrokken, naast de 90 motoren uit
Zweden.(24)
Nederlandse vliegtuigbouwers.
In de vroege dagen van de Nederlandse militaire luchtvaart bestonden er
ook een aantal Nederlandse vliegtuigbouwers, zoals ‘Van Meel’s
Vliegtuigenfabriek’ van Marinus van Meel en de N.V. ‘Nederlandse
Automobiel & Vliegtuigenfabriek’ onder leiding van H.J.E.W.K
Wijnmalen.(25) Dit waren de enige grote vliegtuigbouwers in Nederland.(26)
Hierbij dient nog aangetekend te worden dat Van Meel al voor de oorlog met
zijn productie stopte. Dit betekende dat Wijnmalen de Nederlandse
binnenlandse vliegtuigproductie voor zijn rekening nam, maar het aantal
geproduceerde vliegtuigen was gering: gedurende de hele oorlog werden niet
meer dan 35 vliegtuigen geleverd.(27)
In totaal had Nederland dus 110 vliegtuigen tot zijn beschikking in ‘den
Grooten Oorlog’ die zelf gefabriceerd waren of betrokken werden van
buitenlandse vliegtuigbouwers. In vergelijking met de ons omringende
landen was dit een niet al te hoog cijfer. Echter: zonder de Eerste
Wereldoorlog zou dit getal bijzonder veel lager zijn geweest. Door de
internationale dreiging werd de Nederlandse militaire luchtvloot enorm
uitgebreid. Het vliegtuig als wapensysteem nam dus mede door de oorlog die
werd uitgevochten in België en Frankrijk een enorme vlucht.
Hierboven blijft echter iets onvermeld wat betreft het aantal vliegtuigen.
Het aantal van 110 vliegtuigen is niet volledig. In werkelijkheid kon
Nederland over meer vliegtuigen beschikken. Ons land kon zich dankzij een
bijzonder fenomeen verheugen op een gestage groei van de luchtvloot
doordat een groot aantal buitenlandse vliegtuigen de Luchtvaartafdeling
kwam versterken. Dit was het gevolg van de zogenaamde
vliegtuiginterneringen.

DEZE DUITSE ALBATROS B.I VERKENNER LANDDE IN APRIL 1915 OP ZUID-BEVELAND, NA VLIEGPROEVEN DOOR LUITENANT VAN HEIJST WERD HIJ ALS 'LA 12' IN DE NEDERLANDSE LUCHTVLOOT OPGENOMEN. (FOTO NIMH)
De vliegtuiginterneringen.
Nederland lag tijdens de oorlog niet ver van het front. Hemelsbreed was de
kortste afstand van de Zeeuwse grens tot de slagvelden rond Ieper en
Diksmuide niet meer dan 45 kilometer. Boven dit front werden veel
luchtgevechten uitgevochten.(28) Een gedeelte van de vliegtuigen die
werden ingezet boven de Westhoek van Vlaanderen raakte boven het front de
weg kwijt. Door navigatieproblemen landden zij regelmatig buiten het
vliegveld waar zij waren gelegerd. Ook door motorpech of schade aan het
vliegtuig moest regelmatig een noodlanding buiten de eigen vliegterreinen
worden gemaakt.
Een van de plaatsen waar dan werd geland was Zeeland. Beroemd wat betreft
het aantal landingen is Cadzand, in het zuiden van Zeeuws-Vlaanderen. Hier
landden tijdens de oorlog veel vliegtuigen. Ook op andere plaatsen maakten
vliegtuigen noodlandingen, zoals bijvoorbeeld het eerste buitenlandse
vliegtuig dat tijdens de Eerste Wereldoorlog in Nederland landde: een
Duits vliegtuig op Schiermonnikoog.
Nederland reageerde op deze landingen door de bemanningen en de
vliegtuigen te interneren. De vliegers en waarnemers werden naar kampen in
Nederland gebracht en de vliegtuigen werden vervolgens gekocht van het
desbetreffende oorlogsvoerende land. Meer dan eens waren de toestellen
echter onherstelbaar beschadigd, omdat de bemanning niet wilde dat het in
Nederlandse of vijandige handen viel en het toestel onbruikbaar maakte
door het in brand te steken.
In totaal zijn er tijdens de Eerste Wereldoorlog 116 vliegtuigen in
Nederland geland.(29) Van die vliegtuigen werd een groot aantal gebruikt
om de eigen luchtvloot aan te vullen. Op deze manier kreeg Nederland dus
‘hulp van buiten’. Belangrijk hierbij was dat de luchtvaartafdeling
hierdoor op de hoogte bleef van de laatste vernieuwing op vliegtechnisch
gebied.
De geïnterneerde vliegtuigen werden overgebracht naar Soesterberg en
vervolgens werd geprobeerd, als dat mogelijk was, de vliegmachines
vliegklaar te maken. In totaal werden er op deze manier 70 vliegtuigen aan
de luchtvloot toegevoegd. Een aanzienlijk aantal als je bedenkt dat er in
de hele oorlog naast deze zeventig toestellen slechts 110 vliegmachines
voorhanden waren. In totaal vlogen er in de Eerste Wereldoorlog in
Nederland dus 180 vliegtuigen rond.
Door de interneringen werd het vliegtuig als wapensysteem in Nederland
aanzienlijk belangrijker; met dank aan onze buurlanden.

SCHEVINGEN 1916. TIJDENS EEN 'MILITAIRE RONDVLUCHT' DIE HET WERK VAN DE LUCHTVAARTAFDELING AAN EEN BREDER PUBLIEK MOEST DEMONSTREREN, MAAKT EEN HENRI FARMAN F-22 ANDERHALFDEKKER ZICH GEREED VOOR DE START. (FOTO NIMH)
Ter afsluiting
Vandaag de dag wordt er voortdurend gewikt en gewogen over het aantal en
soort vliegtuigen dat de huidige Koninklijke Luchtmacht erbij mag krijgen
(zoals een derde DC-10) of weer op moet geven (zes Apache helikopters).
Dit krachtenveld is natuurlijk en heeft altijd al bestaan. Ook ten tijde
dat kapitein der genie Hendrik Walaardt Sacré commandant was van de
Luchtvaartafdeling. Na de drastische verkleining van ‘zijn’
organisatie als gevolg van het einde van de Eerste Wereldoorlog moet hij
hebben gehoopt op een genadiger toekomst voor het door hem zo geliefde
landmachtonderdeel. Deze wens is uitgekomen. Vandaag de dag speelt de
opvolger van de Luchtvaartafdeling, de Koninklijke Luchtmacht, een
uitermate belangrijke rol in de wereld door mee te helpen aan de taak om
de vrede en veiligheid in de wereld te vergroten. Een dynamische
organisatie met een belangrijke taak: een waardige opvolger van de
Luchtvaartafdeling.
Noten
| 1 |
In de rang van Generaal-majoor. |
| 2 |
R. de Winter, Hendrik Walaardt Sacré
1873-1949: leven voor de luchtvaart (Den Haag 1992) 45 |
| 3 |
In totaal bestond de commissie uit elf
officieren; drie generale stafofficieren, drie artilleristen, een
infanterist en vier genisten. Onder hen bevond zich ook Wallaardt
Sacré, die optrad als secretaris van de commissie. |
| 4 |
R. de Winter, Hendrik Walaardt Sacré
1873-1949: leven voor de luchtvaart (Den Haag 1992) 45 |
| 5 |
R. de Winter, Hendrik Walaardt Sacré
1873-1949: leven voor de luchtvaart (Den Haag 1992) 45 |
| 6 |
Stukken betreffende het Rapport en
voorstellen betreffende oprichting van een luchtvaartorganisatie bij
het leger. 1911-1913, Nationaal Archief Den Haag, De Militaire
Luchtvaart Commissie, inv. nr. 4. |
| 7 |
Dit waren de legerbesturen van
Frankrijk en Duitsland. |
| 8 |
Stukken betreffende het Rapport en
voorstellen betreffende oprichting van een luchtvaartorganisatie bij
het leger. 1911-1913, Nationaal Archief Den Haag, De Militaire
Luchtvaart Commissie, inv. nr. 4. |
| 9 |
R. de Winter, Hendrik Walaardt Sacré
1873-1949: leven voor de luchtvaart (Den Haag 1992) 55 |
| 10 |
R. de Winter, Hendrik Walaardt Sacré
1873-1949: leven voor de luchtvaart (Den Haag 1992) 55 |
| 11 |
In 1913 werd 117 duizend gulden
uitgegeven aan de Luchtvaartafdeling. In de Eerste Wereldoorlog liep
dat op tot tien miljoen per jaar. In de jaren na de oorlog werd
uiteindelijk niet meer dan drie miljoen per jaar gespendeerd aan de
militaire luchtvaart in Nederland. |
| 12 |
R. de Winter, Hendrik Walaardt Sacré
1873-1949: leven voor de luchtvaart (Den Haag 1992) 56 |
| 13 |
R. de Winter, Hendrik Walaardt Sacré
1873-1949: leven voor de luchtvaart (Den Haag 1992) 56 |
| 14 |
R. de Winter, Hendrik Walaardt Sacré
1873-1949: leven voor de luchtvaart (Den Haag 1992) 57 |
| 15 |
Hendrik Walaardt Sacré (1873-1949).
Officier der Genie. Sacré was secretaris van de Militaire
Luchtvaart Commissie en daarna de eerste commandant van de
Nederlandse Luchtvaartafdeling. Hij bekleedde deze functie van 1913
tot 1919. Vlak na zijn bevordering tot luitenant-kolonel in 1919
werd hem eervol ontslag uit militaire dienst verleend. In het
civiele leven bleef hij zich bezighouden met
luchtvaartaangelegenheden. In 1949 overleed hij na een kortstondig
ziekbed in Den Haag. |
| 16 |
Zo haalde Sacré bijvoorbeeld als enige
Nederlander in Frankrijk zijn brevet als luchtschipbestuurder. |
| 17 |
R. de Winter, Hendrik Walaardt Sacré
1873-1949: leven voor de luchtvaart (Den Haag 1992) 61 |
| 18 |
R. de Winter, Hendrik Walaardt Sacré
1873-1949: leven voor de luchtvaart (Den Haag 1992) 64 |
| 19 |
Bijvoorbeeld door Limburg binnen te
vallen om zo de invasie in België makkelijker te maken. |
| 20 |
Anoniem, ‘Mobilisatie. 1 augustus
1914.’ http://www.landmacht.nl/400-terugblik/410/
periode6/02_mobilisatie.htm, 8/2/2005, geraadpleegd op 4/7/2005 |
| 21 |
Anoniem, ‘The War in the Air –
Summary of the Air War.’ http://www.firstworldwar.com/ airwar/summary.htm,
z.d., geraadpleegd op 5/6/2005 |
| 22 |
Aan het begin van 1917 slaagde Sacré
erin vijf Caudron G.IV-verkenners, vijf Nieuport-XI jagers en vijf
Nieuwport-XVII jagers te bestellen. Zij werden echter pas in juni
1918 geleverd. |
| 23 |
In oktober 1917 werden tien Fokker
D-III jagers, evenveel reservemotoren en tal van reserveonderdelen
geleverd. Niet lang hierna volgde de aankoop van 40 Rumpler C-VIII
tweepersoonsverkenners. Deze werden in de periode mei-september 1918
in Soesterberg afgeleverd. |
| 24 |
R. de Winter, Hendrik Walaardt Sacré
1873-1949: leven voor de luchtvaart (Den Haag 1992) 68-69 |
| 25 |
R. de Winter, Hendrik Walaardt Sacré
1873-1949: leven voor de luchtvaart (Den Haag 1992) 71 |
| 26 |
Andere Nederlandse vliegtuigbouwers,
zoals Fokker en Koolhoven, zaten in het buitenland. |
| 27 |
Wijnmalen leverde in de jaren 1915-1916
elf Farmans HF-22 en in de eerste maanden van 1918 twintig
nagebouwde Nieuwport-XI C-1 jagers. In het najaar volgde vier
Trompenburg-Spijker V-2 lesvliegtuigen. |
| 29 |
B. Deneckere, Luchtoorlog boven
West-Vlaanderen 1914-1918 (Kortrijk 1998) 17 |
| 29 |
Lijst geïnterneerde vliegtuigen,
Nationaal Archief Den Haag, De Luchtvaartafdeling 1913-1938, inv. nr.475.
|
|
|
|