kraagemblemen.jpg

In de tweede helft van de 17e eeuw bevonden zich vele groepen van inlandse krijgers van overal uit de Indische archipel op het eiland Java, die zich verhuurden aan de machtigste vorsten of zelfs aan de VOC, om controle te krijgen over bepaalde gebieden en handel. Deze krijgers waren vaak religieus geïnspireerd of namen een voorbeeld aan heroïsche helden. Hoe dan ook was hun militaire inzet van een hoog niveau en werden ook naast slag- en steekwapens de moderne Europese vuurwapens in de strijd ingezet. Met het Europese kolonialisme van de 19e en begin 20e eeuw werd langzaamaan vergeten dat deze formidabele krijgergroepen er ooit waren geweest, zoals dhr. Kemper beschrijft in zijn studie War-bands on Java.

In zijn introductie schijft Kemper: "What is war to whom? The troops roaming on Java in the late seventeenth century were of all shapes and colours. Some came from Sulawesi, some from Madura; some were religious others acquisitive. Usually they operated in small units known as war-bands led by a warlord. Despite the differences between these war-bands, many of them did gather and fight under a single banner. Often they hurdled behind overlords -sunans or sultans- who were in need for additional brawn; a competitive market of martial supply and demand resulted. The king with the most men usually won.

De aanvang en het verloop van de Atjeh oorlog kan niet begrepen worden, zonder hierin het perspectief mee te nemen van het onafhankelijke Sultanaat van Aceh. Alhoewel verbonden sinds 1853 met Nederland in een verdrag van vriendschap, vrede en handel, bleef het een trotse en zelfstandige islamitische natie in de Indische archipel. Niettemin was het omringd door koloniale Europese machten, te weten Nederland en Groot-Brittannië, die er beiden veel aan gelegen was hun invloedsferen in Zuidoost-Azië uit te breiden in de tweede helft van de 19e eeuw. Juist het contact leggen van het sultanaat met eventueel bevriende mogendheden om zelfstandig te kunnen blijven, met een missie naar het Ottomaanse hof in Instanbul, en de Italiaanse en Amerikaanse vertegenwoordiging in Singapore, bleken mede aanleiding te zijn voor Nederland dit als buitenlandse inmenging te zien en in 1873 de oorlog te verklaren aan het sultanaat. Over deze perikelen schreef dhr. Belderbos zijn studie Onder de hoede van de Allerhoogste.

In zijn inleiding schrijft Belderbos o.a.: "Er is verrassend weinig diepgaand historisch onderzoek gedaan naar de invloed van het panislamisme op de Atjeh-oorlog. Het onderzoek dat verricht is benadert de oorlog als een conflict tussen het Atjehse sultanaat en het NederlandsIndisch bestuur, met weinig aandacht voor de bredere internationale context. Naar mijn mening was het gebrek aan internationale steun voor de Atjehse strijders doorslaggevend in het verloop van de Atjeh-oorlog. In deze scriptie onderzoek ik waarom de Osmaanse sultan in 1873 weigerde steun toe te zeggen aan de Atjehse diplomatieke missie in Istanbul en geef ik antwoord op de vraag op welke manier het Atjehse sultanaat religie probeerde te gebruiken om internationale steun te verwerven in de periode 1870-1903."

Halverwege de 18e eeuw ontstaan er overal in Europa en Noord-Amerika initiatieven om licht bewapende militietroepen in te zetten in de oorlogsvoering, wat in de periode van 1740 tot 1790 gestaag leidt tot een professionalisering van deze nieuwe soort van infanterist, of te wel de lichte infanterie. In zijn studie De kleine oorlog gaat dhr. Grossfeldt in op die ontwikkelingen gedurende de 18e eeuw, zodat er een beter begrip ontstaat voor de massale inzet van lichte infanterie op de slagvelden van de napoleontische oorlogen en later.

In zijn inleiding schrijft Grossfeldt: "Deze scriptie tracht een leegte in het huidige discours te vullen. Daartoe staat de volgende vraag in dit onderzoek centraal: Welke ontwikkelingen droegen bij aan de professionalisering van de lichte troepen in de periode 1740-1790? En de subvraag die ik daarbij stel is: Wat waren de ontwikkelingen in de Republiek der Verenigde Nederlanden op het gebied van de lichte troepen in de periode 1740-1790?"

In 2011 publiceerde dhr. L. Grossfeldt zijn masterscriptie (Universiteit van Utrecht), getiteld De 'kleine oorlog': over de ontwikkeling van de lichte troepen, 1740-1790.

Aan het begin van de opstand tegen Spanje waren er ook vele steden bij betrokken in de zuidelijke Nederlanden, die echter al vrij snel weer in Spaanse handen vielen. De Spaanse landvoogd hertog Farnese leidde menig beleg en richtte uiteindelijk ook zijn pijlen op de rebellerende stad Antwerpen, waar de prins van Oranje nog alles voor in het werk probeerde te stellen om de stad te behouden. Farnese nam echter gunstige posities in op de linkeroever van de Schelde, van waaruit hij na een belegering met diverse aanvallen uiteindelijk na veertien maanden op 17 augustus 1585 de stad succesvol wist in te nemen. Eén en ander wordt uitgebreid verteld in de studie van dhr. Van Goethem uit 2010.

In de inleiding schrijft Van Goethem: "In deze masterproef spitsen we ons toe op een bepaalde periode tijdens deze oorlog, nl. op de jaren 1583-1585. Het is de periode in de 80-jarige oorlog waarin Alexander Farnese furore maakte als bevelhebber van het Spaanse leger en hij voor de grootste uitdaging uit zijn carrière stond: Antwerpen, de grootste calvinistische stad van de Nederlanden, proberen te veroveren. We onderzoeken het beleg van Antwerpen en we belichten de rol van het Land van Waas in dit beleg. De kasselrij Land van Waas zou immers belangrijk zijn in het succes van deze belegering. Alexander Farnese had er zijn basiskamp gevestigd en zou van hieruit het verdere verloop van het beleg coördineren. Deze plaats was niet willekeurig gekozen, maar vastgelegd vanuit strategisch oogpunt. Zijn hoofdkamp zou zich vlakbij de belangrijkste sleutelpunten van de omsingeling van de stad bevinden, en hij zou snel kunnen ingrijpen in de meeste militaire operaties die er zouden plaatsvinden. Over het beleg en de militaire acties is er in het verleden al heel wat inkt gevloeid, maar de rol van de kasselrij blijft tot op heden nog steeds wat duister. Dit heeft te maken met de vele lacunes die we aantreffen in de bronnen over deze periode van de oorlog. Veel bronnen, zoals bv. de resolutieboeken van de Staten van Vlaanderen, zijn voor deze periode verdwenen of vernietigd. In zeer woelige perioden komen deze lacunes wel vaker voor, maar het is treffend dat voor de latere periode van de 80-jarige oorlog er veel meer bronnen bewaard zijn, dan voor de periode die wij zullen bestuderen. Ook is er veel archiefmateriaal verloren gegaan tijdens Wereldoorlog II, waarin de Italiaanse archieven van Farnese veel schade hebben opgelopen en er zo documenten over het beleg teloor zijn gegaan. Er zijn evenwel nog archiefbronnen bewaard gebleven in de rijksarchieven, en die zullen we ten volle gebruiken in deze masterproef." 

Een jaar na het beëindigen van de militair-politieke strijd om het onafhankelijke België krijgen de Staten-Generaal, en met name de Tweede Kamer, in 1840 eindelijk de politieke macht over de defensiebegroting. Zoals dat nu nog altijd in handen is van de politiek, en niet meer als voorheen bij de vorst van het land. Deze consequentie in  1840 leidde tot nieuw beleid, zeker ook na de liberale grondwetswijzigingen in 1848 tot aan de periode van 1860, toen zich in Europa diverse conflicten buiten Nederland om afspeelden. Dit waren o.a. de Krimoorlog, de Italiaanse eenheidsoorlog en de Frans-Oostenrijkse oorlog, die allen zo weer hun invloed hadden op de politieke defensiebeleid. Over dit onderwerp schreef dhr. Pieterse recentelijk de studie Wie betaald, bepaalt!?

 

In zijn presentatie schrijft Pieterse: "Deze scriptie focust zich op de begrotingen van het departement van Marine, het departement van Oorlog, het recht van begroting en het recht van amendement van de Tweede Kamer in de periode 1840-1860. Zodoende wordt de invloed van de grondwetswijziging van 1840 en met name de invloed van de grondwetswijziging van 1848 op de Nederlandse defensie verder inzichtelijk gemaakt. Hierdoor ontstaat een nieuw perspectief op de invloed van de Tweede Kamer en de Nederlandse defensie in de periode 1840-1860. Deze scriptie heeft de volgende hoofdvraag: Welke factoren waren van invloed op de begrotingen van het departement van Marine en het departement van Oorlog in de periode 1840-1860? Deze scriptie bestaat uit een kwantitatief en een kwalitatief deel. Het kwantitatieve deel omvat de financiële analyse van de begrotingen en de analyse van de stemmingen. Het kwalitatieve deel van deze scriptie omvat de ontwikkelingen in de vorm van de begrotingen, de begrotingscyclus en de standpunten en argumenten van de regering/minister(s) en de Tweede Kamer. De kern van deze scriptie bestaat uit twee delen: de periode 1840 tot en met 1849 en 1850 tot en met 1860. Deze tweedeling is niet willekeurig gekozen. In 1839 was de Belgische afscheiding formeel en de mobilisatie beëindigd, waardoor over 1840 voor het eerst een begroting opgesteld kon worden voor het Koninkrijk der Nederlanden in zijn nieuwe vorm. In 1848 vond de ingrijpende grondwetswijzing plaats. De nieuwe manier van begroten (eenjarig) werd vanaf de begroting over 1850 toegepast. Als eindjaar is 1860 gekozen, omdat in de periode voorgaande in Europa verschillende conflicten plaatsvonden, zoals de Krimoorlog (1853-1856) en de Tweede Italiaanse Onafhankelijkheidsoorlog / Frans-Oostenrijkse Oorlog (1859)."