kareldoorman.jpg

In de periode 1480-1506 behoorde het Graafschap Zeeland tot de Habsburgse Nederlanden, geregeerd door respectievelijk Maria van Bourgondië en Filips de Schone. Hoe organiseerden de Staten van Zeeland destijds haar marine en kustverdediging? Daar gaat met zijn onderzoek Zeeland onder vuur de heer Van Belzen dieper op in.

In zijn samenvatting schrijft Van Belzen: "Sinds de aanslagen van 9/11 is maritime security een buzzword in internationale diplomatiek. De term heeft echter geen betekenis en is daardoor vrijelijk te interpreteren. In dit onderzoek wordt getracht deze term te concretiseren door het functioneren van de Staten van Zeeland tussen 1467 en 1506 op maritiem vlak te bestuderen. Hieruit blijkt maritime security drieledig te zijn. Conflictpreventie, bescherming ter zee en kustverdediging zijn onderwerpen die veelal op dagvaarten van de Staten van Zeeland werden besproken. Deze onderwerpen staan in dit onderzoek centraal. Voor het eerst in meer dan vijftig jaar worden de Staten van Zeeland weer onderzocht, waarbij het belang van deze regio in de interregionale en internationale context wordt geplaatst. Dit levert nieuwe inzichten op in niet alleen de positie van het Zeeuws gewest in de late Middeleeuwen, maar ook op de impact van grote historische ontwikkelingen op regionaal niveau."

In 2017 publiceerde de heer S. van Belzen zijn master thesis (Universiteit van Leiden), getiteld Zeeland onder vuur: organisatie van maritime security door de Staten van Zeeland, 1467-1506.

Nu eind 2019 de publieke discussie wordt gevoerd over vier nieuwe onderzeeërs voor de Koninklijke Marine, is het interessant er op te wijzen dat dit krijgsmachtonderdeel na 1945 vaker een eigen sturende rol heeft genomen bij de aanschaf en bouw van voor haar specifiek gewenste schepen. Een keuze die mede mogelijk was door de aanbesteding ervan bij eigen Nederlandse scheepswerven. Dit in tegenstelling tot de andere krijgsmacht onderdelen, te weten de landmacht en luchtmacht, die veelal voor bewapening, voertuigen, tanks en vliegtuigen afhankelijk waren van buitenlandse leveranciers na politieke goedkeuring.

Deze bijzondere geschiedenis wordt uitgebreid beschreven door de heer Van Oosterhout (proefschrift uit 2001, Universiteit van Twente), getiteld De precaire autonomie van de Nederlandse marinescheepsbouw.

 

Op 9 maart 1916 besloot minister van Oorlog, Nicolaas Bosboom nabij het fort Schiphol landbouwgronden aan te kopen met als doel daar een militair vliegveld te stichten voor het Nederlandse luchtwapen. Van luchtverkeer was toen nog geen sprake; ons land verkeerde als neutrale staat in het midden van de Eerste Wereldoorlog die om ons land in alle hevigheid woedde en ervoor zorgde dat de Nederlandse krijgsmacht vier jaar lang gemobiliseerd bleef. Ook toen na de Eerste Wereldoorlog een heel voorzichtig begin werd gemaakt met de burgerluchtvaart bleef Schiphol een belangrijke militaire rol vervullen. Dit artikel gaat op zoek naar de achtergronden waarom juist in de noordoosthoek van de Haarlemmermeerpolder een militair vliegveld werd aangelegd en hoe de militaire functie van Schiphol tot aan de meidagen van 1940 overeind bleef ondanks het uitgroeien van Schiphol tot nationale luchthaven.

Met bovenstaande woorden opent Dr. Dirk Starink zijn uitgebreide artikel over de bijzondere militair-historische geschiedenis van het vliegveld Schiphol, welke we hier aanbieden in pdf-formaat: Schiphol als Nederlands militair vliegveld 1916-1940.

Schiphol als militair vliegveld in 1924 (Beeldbank Stadsarchief Amsterdam, objectnummer D10067001499)

In 2015 publiceerde dhr. Starink het gelijknamige artikel al in Jaargang 49 van ons tijdschrift Mars et Historia. De huidige versie in deze rubriek Recent Onderzoek is enorm uitgebreid met uniek fotomateriaal van het militaire vliegveld, om zo de tekst beter te ondersteunen, en overig beeldmateriaal aan het einde samen te voegen in een prachtige bijlage.

Dirk Starink was Bevelhebber der Luchtstrijdkrachten, thans luitenant-generaal b.d., en schrijft o.a. in Mars et Historia als redactielid.

2019 is een bijzonder memorabel jaar voor de Nederlandse (militaire) luchtvaart, omdat in 1919 Anthony Fokker zijn N.V. Nederlandsche Vliegtuigenfabriek in Amsterdam oprichtte, en het Koninklijk Nederlands Lucht- en Ruimtevaart Laboratorium (NLR) begon in 1919 als Rijks Studiedienst voor de Luchtvaart (RSL) als wetenschappelijke kern voor de militaire en burgerluchtvaart. Ook vond gedurende augustus/september 1919 in Amsterdam-Noord de Eerste Luchtverkeer Tentoonstelling Amsterdam (ELTA) plaats die een groot (inter)nationaal succes was en wordt gezien als het begin van de burgerluchtvaart in Nederland. Inderdaad werd in oktober 1919 de KLM opgericht, met Albert Plesman (oud militair vlieger) aan het roer, die tijdens de ELTA zijn grote organisatietalent had getoond. Momenteel werkt Starink aan een essay over hoe Fokker vanaf 1919 de (Nederlandse) markt veroverde met militaire- en civiele toestellen.

 

Lokale schutterijen en burgermilities grepen blijkbaar niet altijd meteen naar een oranje vaandel, toen eind 1813 de Fransen vluchtten en de strijd werd aangebonden met de achtergebleven garnizoenen in diverse vestingsteden. In plaats daarvan grepen sommigen van deze vrijwilligers terug op de republikeinse erfenis uit de Patriottentijd en de Bataafse republiek.

Over dit onderwerp schreef de historicus mevr. Boender recentelijk een interessant artikel, waarin ze als opening schrijft: "Historici hebben de regimewisseling van 1813 in Nederland over het algemeen vooral vanuit een nationaal perspectief bestudeerd, als (een al dan niet geconstrueerd) beginpunt van het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden. Onderzoek naar Noord-Duitsland leert dat een stedelijk perspectief op de regimewisseling continuïteiten met de vroegmoderne tijd aan het licht brengt. De burgerlijke initiatieven om de veiligheid van de stad te bewaken bijvoorbeeld doen denken aan het betrokken burgerschap uit de vroegmoderne corporatieve samenleving."

Het gehele (Engelstalige) artikel verscheen in 2018 in het tijdschrift BMGN - Low Countries Historical Review: ‘Old citizenry’ in a new state: civic militias and political crises in Haarlem and Groningen in the first half of the nineteenth century.

Omwenteling 1795. Bewapening der burgers in de Sociëteit "De Gouden Leeuw" in de Zijlstraat (nr.87), door W. Hendriks (Regionaal Archief Kennemerland; inv.nr. NL-HlmNHA_53001222_M)

 

In de twee decennia na 1945 groeide de Nederlandse marine uit tot de op twee na grootste vloot binnen de NAVO. Eén van de aanjagers om als klein land nog zo'n grote vloot er op na te houden en internationaal prestige te behouden was de bestrijdingstaak tegen vijandelijke onderzeeboten op de Atlantische Oceaan, naast andere politieke overwegingen om nog een dergelijke grote vloot te behouden uit koloniale perspectieven in de Antillen en het Nederlandse Nieuw-Guinea. In haar studie Het kleine land met hoge kwaliteiten gaat mevr. Hofman nader in op de rol van de Koninklijke Marine bij die bestrijding van onderzeeboten.

Onderzeebootjager "Zeeland" uit de A-klasse

In haar introductie schrijft ze: "Onderzoek naar het Nederlandse aandeel aan de geallieerde onderzeebootbestrijdingstaak van de NAVO in de eerste jaren van de Koude Oorlog, 1945-1968. Hierbij wordt gekeken naar de verschillende aspecten (NAVO, Koninklijke Marine, nieuwe technologie, politiek en media) die hebben bijgedragen aan de belangrijke positie die de Koninklijke Marine innam binnen de NAVO." [... lees verder!... klik verder...]